De macabere romantiek van de burgeroorlog; Sterven voor een meer van honing

De idealen en overtuigingen waarvoor mensen elkaar in burgeroorlogen om het leven brengen zijn vaak zo irrationeel en onredelijk, dat het bijna romantisch aandoet. De martelaren van Hamas lijken sprekend op de helden uit de achttiende eeuwse Duitse romantiek. Maar de verdoemde zielen van deze tijd zijn geen romanfiguren. Ze leven hun hartstochtelijke opstandigheid niet uit in de kunst, maar zaaien dood en verderf in de echte wereld. Over het geweld als het recht der onredelijkheid.

Zijn alle mensen evenveel waard? Er zijn denkers geweest die vonden van wel. In deze eeuw hebben we bewezen van niet. Wie interesseert zich voor de doden in Rwanda, Bosnië, Afghanistan, Liberia, Sri Lanka, Algerije, Columbia, Turkije, Iran, Tjsetsjenië en zo'n dertig andere landen in de wereld? We halen onze schouders op als de Hutu-extremisten, die nu ook in Zaïre zijn begonnen de plaatselijke veeboeren uit te moorden, zich sieren met de naam 'Interahamwe', wat zoveel betekent als 'Zij die een Gemeenschappelijk Doel hebben'. Wat weer half niet zo absurd is als de militie in Burundi, die zich tooit met 'Intagaheka': 'Zij die nooit slapen'. We zijn niet verbaasd als president Idriss Deby van Tsjaad eerst laat schieten op stakers en betogers en vervolgens de lonen van ambtenaren inhoudt omdat hij het geld nodig heeft om kogels te kopen voor zijn leger. We kijken er niet meer van op als Benazir Bhutto van Pakistan haar rivaal Altaf Hussain uitmaakt voor smerige rat en hij haar op zijn beurt een fascist als Hitler noemt, terwijl in Karachi elke maand honderd mensen omkomen door godsdienstrellen, pogroms en terreurdaden.

Ach, het zijn anonieme doden. Het zijn er maandelijks vele tienduizenden en het is onze zaak niet want het gebeurt ver weg. Deze onverschilligheid noemde Jan Pronk kortgeleden een van de vijf drogredenen van de zelfgenoegzaamheid. De andere zijn fatalisme ('Ze hebben elkaar daar altijd al uitgemoord'), schuldtoewijzing ('Ze doen het zichzelf aan, ze zijn allemaal even slecht'), pragmatisme ('Wat kun je doen? We hebben eerder ook niets gedaan'), opportunisme ('Het is niet ons belang') en ontkenning ('Het valt mee en het is niet bewezen').

Dit zijn klassieke afweermechanismen van mensen die stilletjes bidden dat de terreur niet dichter bij huis zal komen, terwijl dat toch langzaam gebeurt: sportevenementen worden verstoord en passagiersvliegtuigen opgeblazen, drugsbendes maken elkaar af in Westerse steden, hooligans vernielen het straatmeubilair, allochtonen plegen straatroven, neo-nazi's steken asielcentra in brand, skinheads schoppen weerloze voorbijgangers in elkaar. Het zijn laffe idioten en kleine groepjes van gekken, maar zoals Enzensberger zegt: 'Om een geciviliseerde samenleving onmogelijk te maken is het waarschijnlijk voldoende als een op de honderd mensen dat wil.'

Waarom willen ze dat? Daar probeerde Hans Magnus Enzensberger in zijn essay Oog in oog met de Burgeroorlog (1994) antwoord op te krijgen. Voor de traditionele landenoorlog is er de krijgswetenschap, er zijn vaste rituelen, zoals de oorlogsverklaring en de capitulatie, er zijn volkenrechtelijke verdragen waarin de spelregels zijn vastgelegd, er zijn politieke voorwaarden, zoals het achter zich krijgen van de publieke opinie. Maar de oorlog van allen tegen allen heeft geen regels of voorwaarden. De burgeroorlog heeft geen theorie, de roekeloze slachting geen duidelijk begin- of eindpunt.

Zo'n twintig, dertig jaar geleden was er nog sprake van een dun ideologisch omhulsel en ging het om de strijd van rebellen, guerrilla's en partizanen voor 'nationale autonomie', 'socialistische revolutie' of 'vrijheid en democratie'. Maar deze omhulsels zijn nu leeg. In Afghanistan zijn de moordpartijen van 'de Maatschappij van de Islam', de 'Partij van de Islam' en de 'Religieuze Studenten' gewoon doorgegaan toen de Russen en Amerikanen hun bemoeienis hadden gestaakt. Ook elders zijn de leiders als het ware voor zichzelf begonnen, de 'volksfronten' en 'verzetsbewegingen' zijn plunderende bendes gebleken, de leuzen zijn hol en vals en wat ze met het geweld willen bereiken, weten ze niet.

Nogmaals, vanwaar de vernietigingsdrang? Er zijn bevolkingstheorieën die beweren dat de mensheid onwillekeurig gehoorzaamt aan een biologische wet, waardoor het inwonertal van de planeet wordt teruggebracht tot proporties die de biosfeer kan verdragen. Zo suggereren doemdenkers als Paul Kennedy en Robert Kaplan dat het grofste geweld zich vooral voordoet waar de mensen het meest op een hoop zijn gebracht, zoals in de mega-steden van de derde wereld, waar doodseskaders 's nachts rondsluipen om de overtolligen af te schieten. Maar, zegt Enzensberger, de theorie van overbevolking is moreel debiel omdat de theoretici doen alsof ze zelf buiten de mensheid staan; zelf zijn ze namelijk nooit overtollig. En als er ook nog gewaarschuwd wordt voor de milieuramp die zich zal voordoen als de wereldbevolking blijft groeien, verzwijgt men dat de gemiddelde Amerikaanse baby in zijn leven dankzij zijn niveau van consumptie bijna dertig keer zoveel schade toebrengt aan het milieu als iemand die geboren wordt in Brazilië of India.

Er zijn ook wetenschappers die de opstanden toeschrijven aan de ongelijkheid in welvaart en de uitbuiting door het kapitaal. Hier zit wat in, zegt Enzensberger, met dien verstande dat het tegenwoordig erger is om niet te worden uitgebuit dan om wel te worden uitgebuit. Sommige zwakke economieën als die van Bangladesh of Mali zijn voorgoed uit de wereldmarkt gestoten, net zoals in alle wereldsteden steeds meer mensen met gebrek aan vaardigheden permanent uit de kringloop van kapitaal worden gezet. Voor deze paupers en werklozen is veiligheid en rijkdom een fata morgana dat ze dagelijks op de televisie kunnen zien. Het drijft hen tot wanhoop en razernij en misschien tot moord en doodslag, wat niet betekent dat ze daardoor minder schuldig zijn. Daders zijn daders en met begrip worden ze nog geen slachtoffers.

Het meest angstaanjagende kenmerk van de moordenaars in de hedendaagse burgeroorlogen vindt Enzensberger hun onvoorstelbare doodsverachting: de agressie richt zich niet alleen tegen de anderen, maar ook tegen het eigen gehate leven. Het instinct tot zelfbehoud lijkt uitgeschakeld en men verliest het vermogen om onderscheid te maken tussen destructie en zelfdestructie. Men is onzelfzuchtig, in de macabere zin dat het eigen leven er niets meer toe doet. Daarom vernielen de opstandelingen van Mogadishu de ziekenhuizen en vermoorden ze buitenlandse artsen die ze even later nodig zullen hebben. Of in de woorden van Ortega Y Gasset: 'Het grauw schreeuwt om brood en vernielt daarom de bakkerijen.'

Nee, van enige logica heeft deze gewelddadige zelfvernietiging geen last. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een artikel in The Sunday Times over de dragers van zelfmoordbommen van Hamas en de Islamitische Jihad. Drie dagen voor de slachting worden de Palestijnse jongemannen tussen de vijftien en vierentwintig geworven met de belofte dat ze als martelaar in het paradijs zullen komen, waar ze de beschikking krijgen over 'rivieren van melk en wijn, meren van honing en de diensten van zeventig maagden'. Hierna worden ze gewassen en gekleed als een bruidegom en maken ze een video waarin ze plechtig afscheid nemen van hun familie. Op de derde dag vindt dan het huwelijk plaats; de bruid is de dood.

Betrapte bommendragers zeggen werkelijk overtuigd te zijn van de redenering dat je alleen willekeurig mag moorden voor een belangrijke zaak en dat de zaak waar je willekeurig voor moordt dus belangrijk moet zijn.

Het is allemaal zo irrationeel dat het haast romantisch aandoet, zoals de Britse denker Isaiah Berlin uitlegt in zijn boek Het kromme hout waaruit de mens gemaakt is (1990). Inderdaad lijken de martelaren van Hamas sprekend op de helden uit de achttiende eeuwse Duitse romantiek, die even trots, ontembaar, satanisch en onheilspellend waren. De verdoemde zielen uit de 'Sturm und Drang' gedichten en toneelstukken zaaiden verwoesting en verderf maar nooit, nooit verloochenden ze hun overtuiging. Want daar ging het om: de bereidheid te sterven voor een overtuiging, ongeacht de redelijkheid ervan.

De romantici koesterden diepe minachting voor al wat redelijk was en keken neer op mensen die alleen maar hoopten op geluk, vrede en veiligheid. Lijden was voor hen verhevener dan genieten. Strijden en zo nodig ten onder gaan was moedig en eerbaar. Compromissen sluiten en overleven was laf en verraderlijk. Opoffering, dat was nobel, opoffering voor de eigen gemeenschap, het eigen volk en de eigen cultuur.

Hieruit kwam het nationalisme voort zoals wij het nu kennen, met de gedachte dat de vermogens van een mens alleen ten volle kunnen worden ontplooid op zijn eigen geboortegrond, waar hij leeft te midden van zijn eigen mensen die zijn taal spreken, hetzelfde geloof hebben en bij wie hij zich instinctief thuis voelt. Alle waardigheid en zelfrespect berust op de vrijheid en onafhankelijkheid van het eigen volk en elk volk bewandelt zijn eigen weg, heeft zijn eigen stijl en eigen gevoelens. De waarden van het ene volk zijn anders en misschien zelfs totaal onverenigbaar met de waarden van het andere.

Het is dan maar een kleine stap naar de gedachte dat de 'eigen mensen' meer waard zijn dan buren en vreemden. Daarmee stond de Duitse romantiek lijnrecht tegenover het universalistische principe dat alle mensen op aarde, eenmaal bevrijd van irrationaliteit, dezelfde waardigheid zouden hebben, dezelfde doelen nastreven, hetzelfde mooi vinden, dezelfde waarheden erkennen en in hetzelfde hun geluk zouden vinden. De romantici verzetten zich hevig tegen deze gelijkschakeling en predikten juist authenticiteit, de verdediging van 'eigentümliche' normen, 'bey sich selbst seyn', in eigen huis, waar men alleen door de eigen wetten wordt geregeerd zonder dat daarop inbreuk wordt gemaakt door iets wat niet het eigene is en zonder dat men wordt geassimileerd in een leefwijze die iedereen en dus niemand toebehoort.

De behoefte om te leven in een vrije, onafhankelijke gemeenschap was volgens de nationalisten uit het begin van de negentiende eeuw even primair als de behoefte aan voeding, seks of communicatie. Deze gemeenschap diende te worden verdedigd tegen vijanden, met name hooghartige buren, in dit geval de Fransen die toen de Europese cultuur domineerden en de Duitsers met neerbuigende verdraagzaamheid bejegenden. Zoals nu de Westerse cultuur de hele wereld domineert en de gekleurde mensen met eenzelfde soort paternalisme behandelt.

Isaiah Berlin trekt deze parallel zelf ook, als hij zegt dat de gekoloniseerde volkeren van deze eeuw net als de Duitsers van de achttiende en begin negentiende eeuw reageren 'met de terugslag van een gebogen twijg' op jarenlange vernedering en krenking door de overheersers. In het vuur van de strijd om dekolonisatie na de Tweede Wereldoorlog hebben ook de nationalisten van de derde wereld een 'eigen weg' gezocht en voorgewend dat wat ze zelf niet konden bereiken de moeite van het nastreven niet waard zou zijn. Ze wilden zich liever laten commanderen door hun 'eigen mensen', ook als dat tot misstanden leidde, dan te worden bevoogd door blanke bestuurders uit Europa, hoe goed ook bedoeld.

Volgens Isaiah Berlin is dat een legitieme wens geweest, al erkent hij dat het in veel gevallen uit de hand liep: de 'misstanden' werden steeds grimmiger en de groep van 'eigen mensen' werd steeds enger gedefinieerd, wat heeft geleid tot gewelddadigheden en slachtingen in zuidelijk Soedan, het Indiase Bengalen, het Biafra-gebied in Nigeria, en nu in Burundi, Liberia, Somalië, Bosnië enzovoort.

De idealen van de Duitse Romantiek zijn verworden tot raciale haat, religieus fanatisme en etnische zuiveringsdrang, maar feit blijft dat dit soort heftige, in beginsel irrationele en romantische emoties het sine qua non lijken te zijn voor de opstanden van deze tijd - en het is voor Berlin totaal onbegrijpelijk dat de grote filosofen van de Verlichting deze ontwikkeling niet hebben voorzien. Dat komt, denkt hij, doordat men de behoefte aan 'erkenning' en het niet vernederd willen worden ernstig heeft onderschat.

Enzensberger vindt het verlangen naar erkenning ook een van de beste verklaringen voor burgeroorlogen en hij refereert aan Frantz Fanon, de psychiater uit Martinique die het gebruik van geweld om waardering af te dwingen het vurigst heeft gepredikt in zijn nu verguisde boek De Verworpenen der Aarde (1961). Volgens Fanon begint de gekoloniseerde voor het eerst te beseffen dat hij misschien gelijkwaardig is aan de kolonisator als hij iets van afgunst begint te voelen. Hij ziet de weelde en de rijkdom van de overheerser (en ik zou zeggen: nu meer dan ooit, via televisie), zijn blik is geladen met nijd en jaloezie en hij begint te dromen: hij wil net zo'n huis, zo'n auto, hij wil aanzitten aan de tafel van de overheerser, slapen in zijn bed, het liefst met zijn vrouw.

Deze kinderlijke afgunst, zegt Fanon, is de eerste vonk van de opstand. Want vroeger durfde de onderworpene niet eens te dromen van gelijkwaardigheid, omdat hij zich geschikt had naar zijn status van slaaf en onwaardig wezen. Maar op het moment waarop hij begint te dromen, begint hij ook zijn messen te slijpen.

Fanon ziet deze agressiviteit als een noodzakelijke uitkomst van onderworpenheid. Maar eerst zal de woede zich openbaren tegenover de zijnen, waarschuwt hij. 'Dat is de periode waarin de negers elkaar opvreten. (-) De spanning in de spieren van de gekoloniseerde ontlaadt zich van tijd tot tijd in bloedige uitbarstingen: stamoorlogen, veten tussen benden en vechtpartijen tussen individuen. Het is een waarlijke uitdaging aan het gezonde verstand.'

Maar het gezonde verstand helpt niet erg, de 'doodsreflexen' van de onderworpenen zijn bizar en onbevattelijk, omdat ze worden gevoed door de wereld van magie: juju geesten, luipaardmensen, djinns en voodoo-duivels, honden met zes poten, paarden met twee hoofden, reuzen en zombies en een onuitputtelijk gamma van vreemde gedrochten.

Desondanks is er hoop, voor zover je van hoop kunt spreken. Fanon verwacht dat vroeg of laat de bezetenheid van de neger overgaat en hij de fantomen uit de fantasiewereld de rug toe keert. 'Dan is hij klaar om de werkelijke vijand op de nek te springen en zijn rol van wild te verruilen voor die van de jager.'

Fanon had niet zo'n hoge dunk van de leiders van de anti-koloniale opstanden. Het waren maar pacifisten en intellectuelen die streefden naar kleine hervormingen en verbeteringen en alleen dreigden met het geweld van de massa's. Maar op een goede dag zouden de horden niet meer luisteren. Ze zouden hun leiders voorbijstreven en de bruutheid beantwoorden met nog grotere bruutheid. Het geweld zou een 'ontgiftigende werking' hebben, omdat het de mensen zou bevrijden van hun minderwaardigheid.

Die opstand der horden waar Frantz Fanon zo welgezind tegenover stond, was voor de Spaanse essayist Jose Ortega Y Gasset juist de verschrikkelijkste nachtmerrie denkbaar. Ortega schreef zijn boek De Opstand der Horden aan de vooravond van het fascisme, eind jaren twintig, toen boerenzonen en kleine luyden de steden innamen en zich meester maakten van de verworvenheden van de beschaving. Het volk eiste burgerrechten en wilde genieten van de genoegens die vroeger waren voorbehouden aan enkelingen. Dat was erg democratisch, schrijft Ortega, maar konden deze plattelanders en kleinstedelingen met hun gebrekkige ontwikkeling en ambities denken in termen van verplichtingen, verantwoordelijkheden, zedelijke grenzen en morele implicaties?

Ortega's toon is nogal arrogant, maar wie hem nu herleest en Europa bijvoorbeeld vervangt door Somalië, Bosnië of Afghanistan wordt wel iets wijzer. De horde bestaat volgens hem uit 'gemiddelde mensen' die geen sterke persoonlijk hebben en slechts exemplaren zijn van hun soort. Ze vinden dat iedereen moet zijn zoals zij: zelfgenoegzaam, zonder uitmuntende hoedanigheden en zonder de behoefte om speciale inspanningen te leveren of boven zichzelf uit te reiken. Ze willen dus niets van zichzelf maken, maar alles terstond hebben: gemak, comfort, rechten en vrijheden. Zonder plichten, zonder respect voor anderen, met name voor minderheden, en zonder achting voor degenen die hun de nieuwe mogelijkheden hebben geboden: de geleerden en filosofen die soms hun leven riskeerden voor democratie en vrijheid.

Vrijheid, gelijkheid, broederschap? Het volk kent de herkomst van deze ideeën niet, het heeft geen flauw vermoeden van de eeuwenlange wilskracht die nodig is geweest om ze te realiseren, het denkt dat deze schitterende inzichten uit de lucht zijn komen vallen en dat ze behoren tot zijn geboorterecht. Daarom is men niets en niemand erkentelijkheid verschuldigd en kan men vrijelijk en bandeloos zijn gang gaan.

Wie de geschiedenis van de ideeën en idealen niet kent, zegt Ortega, kan geen eerbied opbrengen voor de rationele gronden waarop ze berusten en is daarom nooit meer dan een iemand die zich bedient van gemeenplaatsen en stukken en brokken van grotere denkbeelden en daar volkomen tevreden mee is.

En zulke lieden, kan men toevoegen, houden geen rekening met hun naasten, ze hebben eigenlijk helemaal niet de wens om samen te leven. De samenleving valt dan uiteen in kleine, afzonderlijke groepen, in bendes die elkaar vijandig gezind zijn. Het leven in zo'n bende is overzichtelijk: tegenover een klein aantal mensen moet men zich inhouden, op de rest van de mensheid kan men zijn driften en begeerten botvieren.

De bendes die zich nu tooien met prachtige namen als 'Zij die een Gemeenschappelijk Doel hebben' of 'Islamitische Welvaarts Partij' of 'Servische Democratische Partij' zijn de intellectuelen en filosofen van het nationalisme inderdaad voorbijgestreefd, zoals Fanon al had gehoopt, maar waar hij nu waarschijnlijk vreselijke spijt van zou hebben. De bendeleiders en krijgsheren van tegenwoordig zijn geen denkers of leermeesters, maar beunhazen, volksmenners, demagogen en welbespraakte schurken die de klok hebben horen luiden maar geen idee hebben wat de woorden die ze bezigen werkelijk inhouden: vrijheid, onafhankelijkheid, zelfbeschikking. Het zijn holle kreten die moeten verhullen dat ze niet in staat zijn om met anderen samen te leven en de eerste beginselen van beschaving zoals beleefdheid al ontberen, laat staan de hoogste vorm van civilisatie, die vervat ligt in het idee van democratie. Democratie is voor Ortega 'de uiterse vorm van inschikkelijkheid, het is het recht dat de meerderheid toekent aan de minderheden en is derhalve de edelste leuze die op de aardbol heeft weerklonken. Deze leuze verkondigt het besluit om met de vijand, ja zelfs met de zwakke tegenstander in vrede te willen samenleven.'

Maar natuurlijk is democratie een te lastige en te ingewikkelde opgave voor de horden die nu in opstand komen. Daarom nemen zij hun toevlucht tot geweld, wat niets anders betekent dan dat zij niet kunnen aantonen dat hun overtuigingen geldig of redelijk zijn. Geweld is het recht der onredelijkheid, het is de botste weigering om met anderen van gedachten te wisselen of in discussie te gaan.

Wat is het toch een tragische misvatting geweest van de romantici, van de jonge Goethe tot Joseph Conrad, dat Werther en kapitein Kurtz alleen in boeken hun zielepijn zouden lijden en hun hartstochtelijke opstandigheid alleen in de kunst zouden uitleven. En wat is het toch een even pijnlijke misrekening geweest van de grote denkers, van Plato tot Bacon, van Bentham tot Marx: dat uiteindelijk een eind zou komen aan irrationaliteit, onrecht en lijden; dat wij ons zouden verlossen van onwetendheid, dwaasheid en verdorvenheid; dat wij zouden ophouden elkaar te bestrijden, universele doelen zouden nastreven en elkaar een gelijke waardigheid zouden gunnen. Nationalisme, etnische haat en religieuze waanzin lijken in deze eeuw de genadeslag te hebben toegebracht aan deze grootste en toch eenvoudigste utopie die in de geschiedenis gekoesterd is: dat alle mensen ooit evenveel waard zouden zijn.