Aznar verruilt strijdlust voor pragmatisme

MADRID, 17 AUG. De Spaanse dobermann wil nog niet bijten. In socialistische kring, waar de conservatieve Partido Popular van José María Aznar in de verkiezingscampagne op televisie werd neergezet als een bloeddorstige hellehond, moet men het toegeven: de angst bij links Spanje dat een machtswisseling na dertien jaar kabinetten González tot een bijltjesdag zou leiden bleek ongegrond.

Na ruim honderd dagen Aznar weet Spanje echter nog steeds niet goed

wat het dan wel van zijn nieuwe kabinet moet denken. De eerste stappen van het kabinet kunnen rekenen op voorzichtige bijval van medestanders, terwijl de oppositie het kruit vooralsnog droog houdt. De regering legt de nadruk op het voldoen aan de criteria voor de Europese munt, op nadere bezuinigingen en op privatiseringen.

De strijdlust waarmee de PP de verkiezingen introk, heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een pragmatisme waarin weinig overeind is gebleven van de oorspronkelijke programmapunten. Van de belofte van Aznar om bij wijze van bezuiniging vijfduizend hoge ambtenaren op staande voet te ontslaan is niets meer vernomen. Ook de algemene verlaging van de inkomstenbelasting laat op zich wachten.

“De regering-Aznar is als een windhaantje”, verklaarde de socialist José Bono. Als president van de regio Castilië-La Mancha is Bono een van de weinige bewindvoerders die de electorale slachting in het socialistische kamp hebben overleefd. De regio-president, die wordt getipt als mogelijke opvolger voor Felipe González, heeft de feiten aan zijn zijde.

Neem de kwestie met de Baskische en - vooral - Catalaanse nationalistische partijtjes. Voor de verkiezingen zong de jeugdige PP-aanhang nog liedjes waarin de leider van de Catalaanse nationalisten,

regio-president Jordi Pujol, werd uitgemaakt voor een lelijke dwerg die eerst maar eens behoorlijk Spaans moest leren praten. Nu de partij van Pujol de belangrijkste steunpilaar is voor het minderheidskabinet van Aznar is de kritiek op de regionaal-nationalistische partijen geheel verstomd.

Sterker nog: wie nu binnen de PP aanmerkingen op de Catalaanse nationalisten durft te maken loopt risico. Aleix Vidal-Quadras, de leider van de PP in Catalonië waagde vorige week in een academische

spreekbeurt het Baskische en Catalaanse nationalisme te omschrijven als een gevaar voor de Spaanse staat, een “tumor met totalitaire trekjes” en een goedkope manier om aan de macht te komen. Ongeveer wat de PP altijd heeft betoogd, maar dan met meer onderbouwing.

Als door een bij gestoken reageerden de nationalistische partijen met het verzoek aan Aznar zich van zijn Catalaanse partijbaron te distantiëren. Met enig succes, zo lijkt het. “De Catalaanse PP bespreekt de mogelijkheid om zijn leiderschap en boodschap te vernieuwen”, zo verklaarde deze week vice-premier Francisco Alvarez Cascos droogjes. Vidal-Quadras kan beter naar een andere betrekking uitkijken, zo is de boodschap.

Onder de categorie windhaan valt eveneens de manier waarop de PP de afgelopen maanden radicaal de bezem haalt door alle directies van staatsondernemingen. Voor de verkiezingen was de dubieuze aanpak van de socialisten, die dit soort functies gebruikten als een weggevertje voor vrienden, een dankbaar stokpaardje voor de PP. Maar sinds de PP aan de macht is gekomen, ligt het werk bij vrijwel alle staatsbedrijven stil, omdat alle directeuren worden vervangen door relaties van de nieuwe regeringspartij. Dat laatste past overigens in een lange traditie, waar de gemiddelde Spanjaard schouderophalend aan voorbijgaat.

Dat is echter minder het geval met de kwestie rond de documenten van de geheime dienst Cesid. Een van de aanleidingen voor de uiteindelijke val van het kabinet González vormde de weigering van de toenmalige regering om Cesid-documenten over te dragen aan onderzoeksrechter Baltasar Garzón. Volgens Garzón zou uit deze stukken rechtstreekse betrokkenheid blijken van de staat bij het oprichten van de zogenaamde GAL-doodseskaders, die in de jaren tachtig 26 veronderstelde ETA-activisten vermoordde.

Vanuit de oppositiebanken schreeuwde de PP moord en brand over de weigering de documenten over te dragen. Afgelopen week wees zij zelf het

rechterlijk verzoek om de stukken alsnog over te dragen echter ferm van de hand. “Hier is een staatsbelang in het geding. Onder de vorige regering ging het om een partijbelang”, zo luidde het verweer van de regeringswoordvoerder.

De weigering om de dossiers over te dragen vormt de eerste belangrijke aanvaring tussen de PP en de Baskische nationalistische PNV, een van de partijen die de regering in het zadel houden. De PNV, die zich altijd hard heeft gemaakt om de GAL-affaire tot de bodem uit te zoeken, riep zelfs het speciale overleg van democratische partijen in Baskenland bijeen om de zaak te bespreken.

De zaak rond de doodseskaders, die de vorige regering als een blok aan het been hing, lijkt daarmee nu ook Aznar parten te gaan spelen. De premier verklaarde reeds manmoedig dat Spanje hem heeft gekozen “met het oog op de toekomst en niet wegens het verleden”. Maar gevreesd moet

worden dat justitie dit najaar met nieuwe beschuldingen en arrestaties van politieagenten en militairen komt, waarbij niet uitgesloten is dat ook de politieke geestverwanten van de PP niet buiten schot blijven.

Het najaar wordt ook spannend wat betreft de verhoudingen met de sociale

partners. Al snel na de installatie van de nieuwe regering werd het allesomvattende sociale pact waarvoor Aznar gedurende de verkiezingsstrijd had gepleit, door de vakbonden van de hand werd gewezen. De bonden gingen zelfs een stap verder en beloofden massale stakingen als de regering ernst maakt met het bevriezen van de salarissen van alle ambtenaren en werknemers in staatsbedrijven. Maar over deze voornemens heerst vooralsnog slechts onduidelijkheid: een deel

van de bewindslieden beweert stellig dat het besluit vaststaat, een ander spreekt openlijk over onderhandelingen die volgende maand hervat worden.

Beter gaat het optreden van Aznar zelf. De premier, vanwege zijn houterige spreektrant en Chaplin-snorretje een dankbaar onderwerp van spot en luim bij zijn tegenstanders, lijkt iets van de waardigheid te krijgen die zijn ambt aankleeft. Peilingen wijzen erop dat hij bij de kiezers aan vertrouwen wint. De nieuwe premier toont zich daarbij een goed leerling van zijn voorganger: net als González vertoont Aznar zich zelden in het openbaar en laat hij het woord bij voorkeur voeren door zijn twee vice-premiers of officiële regeringswoordvoerders.

Wanneer de minister-president dan onverhoopt wel een opmerking maakt, blijft het oppassen geblazen. Dat bleek ondermeer bij de affaire waarbij

de Spaanse politie 103 Afrikaanse vluchtelingen in vliegtuigen laadde, gedrogeerd en zonder inachtneming van de geldende procedure. “We hadden

een probleem en dat is nu opgelost'', zo sprak Aznar bot. Zijn minister van Binnenlandse Zaken Mayor Oreja - een van de snelst stijgende sterren

- erkende enkele dagen ruiterlijk dat er fouten waren gemaakt en beloofde plechtig dat ze niet meer zullen voorkomen.

Aznar kon zich tot dusver permitteren in de luwte te blijven, omdat de oppositionele socialistische partij zich de afgelopen weken opmerkelijk rustig hield. Oppositieleider González verscheen zo mogelijk nog minder in het openbaar dan zijn opvolger. González wacht het najaar af: dan zal het nieuwe kabinet zijn gezicht moeten laten zien en zullen de eerste steekjes vallen.