Afscheid van Duitsland; Tussen Wessi's en Ossi's

Zes jaar na de Wende zijn veel Duitsers, in Oost en West, teleurgesteld in 'de politiek', onzeker over de economische vooruitzichten en wantrouwig tegenover de geplande verdwijning van de D-mark. Het is de vraag of de Bondsrepubliek het monument van politieke stabiliteit blijft dat zij tientallen jaren was. Een terugblik en een overpeinzing na zeven jaar Duits correspondentschap.

Naar Duitsland? Vreselijk, ik begrijp niet wat je daar moet, zei een collega zeven jaar geleden bij mijn afscheid. De spreker bedoelde het aardig, hij schrijft tegenwoordig trouwens zelf ook wel eens over Duitsland. En mocht daarbij een enkele keer een Duits woord verkeerd gespeld raken, dan is dat per ongeluk en niet bedoeld als een posterieure verzetsdaad, zoals iets langer geleden niet ongewoon was in sommige Nederlandse media.

Vijftien à twintig jaar geleden verkeerde Deutschland im Herbst en stak in de bleierne Zeit, die ook de tijd was van de SPD-kanseliers Willy Brandt en Helmut Schmidt. De Nederlandse buitenlandse politiek raakte destijds gedemocratiseerd. Toen kenden veel Nederlandse journalisten vooral de schrijfwijze van trefwoorden als Radikalenerlass, Berufsverbote, Notstandsgesetzgebung en de naam van de Rote Armee Fraktion.

De Duitsers, ook en vooral kanselier Schmidt, zouden even later kennis maken met een nieuw Nederlands exportprodukt, dat de Amerikaanse commentator Walter Laqueur de internationale naam hollanditis gaf. De kruisraket stond toen elke dag op de voorpagina. Het lijkt een eeuwigheid geleden, maar om veel meer dan tien jaar gaat het niet. Decennia lang was de integratie van de Bondsrepubliek in de Navo en Europa een 'hoeksteen' van onze buitenlandse politiek geweest. Toen het erop aankwam - eigenlijk de eerste keer dat de mening van 'Den Haag' er echt toe kon doen - waren we niet, of pas heel laat, thuis.

Het valt de Duitse politici niet te verwijten dat zij zich soms nog iets herinneren van onze gewetensvolle worsteling van die jaren. Zoals kanselier Helmut Kohl, die in 1982 Schmidt opvolgde en bekend staat om zijn olifantengeheugen, zeker niet heeft vergeten dat in die jaren R.F.M. Lubbers hoofdbewoner van het Haagse politieke huis was. Kohl achtte de Amerikaans-Duitse volharding in die rakettengeschiedenis uiteindelijk beslissend voor het verdrag over de eliminatie ervan - en daarmee voor de veranderingen die in de late jaren tachtig in Oost-Europa op gang kwamen. Wie zich herinnert hoe Kohls politieke status werd gered door de omwentelingen in Oost-Europa, met name in de DDR, kan vermoeden hoe belangrijk hij deze analyse ook voor zijn eigen vita zal vinden.

Op 31 oktober zal Kohl 5145 dagen kanselier zijn. Hij haalt dan zijn politieke grootvader Konrad Adenauer in, kanselier van 1949 tot 1963. Mocht hij zich, zoals zijn coalitie hem nu al smeekt, in 1998 nog eens kandideren en dan voor de vijfde keer de Bondsdagverkiezingen winnen, dan kan hij in de herfst van 2001, 71 jaar oud, zelfs Bismarcks record breken. En hoewel zijn plaats in het grote geschiedenisboek allang verzekerd is, zou hij straks in de interne voltooiing van de Duitse eenheid en het 'onherroepelijk maken' van Duitslands integratie in Europa motieven kunnen vinden om door te gaan. Aan de SPD zal het straks niet liggen, want die tobt sinds het vertrek van Schmidt vooral met zichzelf.

Bananenschil

Eind september 1989, op het eerste CDU-congres dat ik voor deze krant bezocht, leek dezelfde Kohl uitgeteld in de touwen te hangen. Zijn renommée was toen dat van een provinciale Hampelmann, die op zijn politieke pad geen bananenschil uit de weg ging. De kanselier uit Ludwigshafen-Oggersheim was destijds de man die Gorbatsjov met Goebbels had vergeleken. Hij was het ook die president Reagan had uitgenodigd voor een wandeling over het soldatenkerkhof van Bitburg, waar - maar dat bleek pas nadat Reagan ja had gezegd - ook oud-SS'ers begraven lagen. Hij leefde in een open oorlog met de meeste Duitse media, vooral de drie door hem zo onbeminde weekbladen ('die lees ik niet') uit Hamburg: Der Spiegel, Stern en Die Zeit. Zijn voorganger Schmidt was een van de uitgevers geworden om er geregeld bitse colleges over de wereldpolitiek en het kanseliersvak in te geven. Teneur: 1. mijn opvolger doet niets goed; 2. doet hij toch eens iets goed, geldt punt 1.

Kohl was - en is - al sinds 1973 voorzitter van de CDU. Hij had de Bondsdagverkiezingen van 1983 en 1987 weliswaar gewonnen, maar leek in 1989 weinig kans te hebben dat in 1990 nog eens te doen. Onder regie van Der Spiegel (Kohldämmerung, schreef het blad) was er in de weken voor dat congres in de top van de CDU een ongewoon revolutionaire stemming tegen Kohl ontstaan. Niks revolutie, zei Kohl, die zijn partij tot en met de laatste lokale tweede secretaris kent en zich vooraf al van voldoende steun had verzekerd. Dus liet hij ze op dat partijcongres wegvegen, dwarsliggers als Rita Süssmuth (CDU-vrouwen), Heiner Geissler (Rijnland-Palts), Ernst Albrecht (Nedersaksen) en Lothar Späth (Baden-Württemberg).

Ik zie Kohl daar nog zitten nadat hij zijn eindschot had gelost. Transpirerend als een otter, want eigenlijk onwel (hij had een komende prostaatoperatie geheim gehouden), maar ook bijna uitdagend zelfverzekerd voor een nerveus congres. Möchtegern-Revoluzzer schreef Der Spiegel, die de vlag soms snel verhangt, een week later honend over die mislukte CDU-opstandelingen.

Ik herinner me nog zo'n moment dat de media en de Duitse body politic, ook de CDU-kaders, Kohl al zo'n beetje hadden afgeschreven. Dat was voorjaar 1994. Een economische recessie schokte Duitsland, de CDU lag in peilingen beneden dertig procent, zijn SPD-uitdager Rudolph Scharping (bijgenaamd Schar Pìng en Rudolf Scharfsinn) boven de veertig. Derwijl oefenden de kiezers op grote schaal in Politikverdrossenheit, een fenomeen waaraan bondspresident Richard Silberlocke von Weizsäcker op zijn gebruikelijke grote hoogte ernstige en toch ook mooie woorden besteedde.

Op een Hamburgs partijcongres, in februari, was Kohl de enige CDU'er die geloofde, althans: hardop zei, dat hij acht maanden later toch de Bondsdagverkiezingen zou winnen. Wat geschiedde, zij het op het nippertje. De recessie was toen even overgedreven, is nu weer terug, maar staat alweer op het punt om eind dit jaar te verdwijnen. Wat prettig is voor Duitslands kansen om zich te kwalificeren voor de Europese muntunie, waarover in het voorjaar van 1998 wordt besloten, maar eigenlijk ongunstig voor het besef van de 'verwende' Westduitsers dat hun land zich werkelijk op grote schaal moet ontslakken en moderniseren.

Zelfrespect

Duitsland heeft hier een formidabel probleem. De ruim zestig miljoen Westduitsers zijn opgegroeid in een land dat niet alleen in economisch opzicht heel lang een fantastisch succes was, maar dat succes ook nodig had om na de Tweede Wereldoorlog zijn zelfrespect en een redelijke plaats tussen de buren te hervinden. De D-mark, waar de Duitsers elders om benijd of gevreesd worden, was in de afgelopen veertig jaar niet alleen een symbool van vernuft, discipline en economische potentie, maar misschien wel bovenal een zelfgemaakt psychologisch baken. Voor de Oostduitsers, die veertig jaar lang de prijs voor een verloren wereldoorlog mochten betalen, gold die D-mark als entreebewijs naar een beter leven met meer vrijheid in een verenigd land. Vrijheid om te reizen, bijvoorbeeld, en om gevarieerder te consumeren.

De omwenteling in de DDR begon najaar 1989 als een poging van een intellectuele voorhoede om de antifascistische boeren- en arbeidersstaat te hervormen (Wir sind das Volk!), maar de bevolking gaf de Wende al snel, met honderdduizenden voeten, een andere richting met als leuze: Wir sind ein Volk! Eind december '89 kon Kohl, die voor een spreekbeurt in Dresden als een soort verlosser was binnengehaald, tegen zijn toenmalige kanselarijminister Seiters dan ook zeggen: Es ist gelaufen, Rudi. Vervolgens denderde hij naar de eenwording. Met een tempo dat elders in Europa werd gewantrouwd, maar dat - achteraf bezien - wegens het snel naderende einde van Gorbatsjov en de Sovjet-Unie gerechtvaardigd bleek.

Intussen is nog wat anders gebleken. De economische opbouw van de vroegere DDR zal véél moeilijker, kostbaarder en langduriger worden dan destijds werd verondersteld. Dat is niet goed voor de verstandhouding tussen Wessi's en Ossi's, al moet daarbij worden aangetekend dat Saksers en Rijnlanders en Pruisen en Beieren het in vroeger tijden ook nooit geweldig met elkaar konden vinden. Ernstiger is iets wat niemand in 1990 hardop kon of wilde zeggen, namelijk dat een groot deel van de Oostduitse bevolking, opgegroeid in een 'initiatiefloze' socialistische staat, mét de Duitse eenwording afgeschreven is geraakt in de harde economische wereld die voor hen was opengegaan.

De Duitse eenwording was nauwelijks een feit of er bleek nog veel meer. De globalisering van de economie begon bijvoorbeeld diepe sporen te trekken door het land van de sterke D-mark. De problemen werden geïnventariseerd: we zijn te duur en vaak te log, we hebben te veel vrij en te veel regels, onze arbeidsmarkt is van eergisteren en onze research af en toe ook. Auto's en machines bouwen gaat nog goed, maar dat kan in Tsjechië of Hongarije goedkoper. In de high tech groeit onze achterstand op de VS, Japan en de nieuwe Aziatische tijgertjes snel. Bovendien: de som van de verworven privileges is onbetaalbaar geworden in het Duitse recreatiepark, zoals Kohl het spottend, maar ook ongerust zei.

Zo zijn veel Duitsers, zes jaar later, in Oost en West teleurgesteld of zelfs verbitterd geraakt, ontgoocheld over 'de politiek'. Ze zijn ongewoon onzeker over de perspectieven van hun economie en wantrouwig jegens de geplande verdwijning van de D-mark. Dat offer heeft de traditioneel door een meerderheid van de Duitsers gedragen Europese integratie in een paar jaar tijd verdacht gemaakt. Dat moet voor Kohl een pijnlijke paradox zijn. Hij kreeg met het Verdrag van Maastricht niet de Europese politieke unie die hij wilde en offerde vervolgens de D-mark aan de buren (Parijs!) om niettemin een zo hoog mogelijke integratiesnelheid te houden. En dan gaat dat offer in Duitsland juist als aanjager fungeren voor een ongekend anti-Europese stemming.

Lesplannen

Er is de afgelopen zeven jaar ook het een en ander gebeurd tussen Nederland en Duitsland. Nederland had in 1989 en '90, net als Mitterrands Frankrijk en Thatchers Groot-Brittannië, moeite om aan de onverwacht snel naderende Duitse eenwording te wennen. Uit de positie die Nederland op EG-toppen in Dublin en Straatsburg innam, zij aan zij met Londen en Parijs, werd duidelijk dat ook wij zó van Duitsland hielden dat we liefst nog een tijdje twee Duitslanden wilden houden. Dat zal Kohl in zijn geheugen hebben bewaard.

Maar, als gezegd, er is intussen veel veranderd. Dat is voor een deel de verdienste van het veiligheidsinstituut Clingendael, dat in '93 een enquête over het Duitsland-beeld van Nederlandse jongeren liet houden. Dat bleek het beeld van een onaangenaam, agressief, ja zelfs nogal oorlogszuchtig land te zijn. De uitkomsten waren ontnuchterend voorzover het de feitenkennis van die jongeren betrof en daarmee ook een boodschap voor het (geschiedenis)onderwijs en de Nederlandse media. Maar bovenal waren die enquêteresultaten sensationeel voor de Duitse media. De afgelopen zeven jaar hebben zij Nederland zelden zoveel aandacht gegeven als na die Clingendael-enquête.

Er wordt intussen gesleuteld aan lesplannen voor geschiedenis, zodat ook het Duitsland van na 1945 meer aan bod komt. En er is een Herijkingsnota van de minister van buitenlandse zaken, waarin het (eigen) belang van goede relaties met Bonn een belangrijk onderdeel vormt. Bovendien hebben Kohl en premier Kok najaar 1994 de kwestie-Lubbers (Kohls veto op diens kandidatuur voor het voorzitterschap van de EU-Commissie in Brussel) snel, voor Koks voorganger pijnlijk snel, uit de wereld geholpen. Daarna bleek Kohl in 1995, na twee korte bezoeken aan Nederland, hier te lande ineens zó sympathiek en geniaal geworden, en zo'n Europese staatsman bovendien, dat je je ging afvragen wat al die eerdere Nederlandse opvattingen en emoties over hem en Duitsland eigenlijk waard waren geweest.

Gorbatsjov

Die zeven jaar bevatten behalve mooie, ook gruwelijke momenten. Dat weekeinde in Oost-Berlijn van 6 en 7 oktober 1989, toen officieel het veertigjarig bestaan van de DDR werd gevierd, met Gorbatsjov als belangrijkste gast. Datzelfde weekeinde begon feitelijk, ook door zijn toedoen, de Wende in Oostduitse straten. Mijn accreditering was ingetrokken en ik liep dus illegaal mee - met de leeftijd en het voorkomen van een potentiële onderdrukker - met de almaar aanzwellende stoet jonge en roekeloze betogers (Stasi raus!, Die Stasi in die Produktion!). In de donkergeraakte wijk Prenzlauer Berg werden velen van hen in elkaar getremd door andere jonge Oostduitsers - van de Stasi (operationeel tenue: leren jack, jeans, sportschoenen). Het einde van de DDR kwam dat weekeinde in zicht. Goed een maand later viel de Muur in Berlijn, terwijl Kohl net op bezoek was in Polen. In Warschau, veertien uur sporen van Berlijn, zaten 250 journalisten, onder wie deze correspondent, naar de Poolse televisie te kijken en zich machteloos te verbijten terwijl Kohl overhaast per regeringsvliegtuig vertrok.

Een zonnige economie heeft er de democratie de afgelopen 45 jaar mooi bijeengehouden. De vraag is nu: blijft de Bondsrepubliek op ons continent het monument van politieke stabiliteit dat zij tientallen jaren was, ingebed in Europa en Atlantis? De Britse Duitser Ralf Dahrendorf heeft erop gewezen dat in oude Angelsaksische democratieën als Groot-Brittannië en de VS, het traditionele vertrouwen in het politieke stelsel vanzelfsprekender is, minder afhankelijk van de actuele economische toestand, dan in Duitsland of Italië. Dat probleem zou de komende jaren wel eens spannender zou kunnen worden dan de Europese buren denken.

Frag' nicht warum ich gehe, frag' nicht warum, was immer auch geschehe, frag' nicht warum, zong Marlène Dietrich. Ze bedoelde iets heel anders, maar ik ben het - hoewel gaarne op weg terug naar Nederland - op mijn manier toch met haar eens.