Voet tegen het plafond; Bescheiden gedichten van J. Eijkelboom

J. Eijkelboom: Het lied van de krekel. Uitg. De Arbeiderspers, 48 blz. Prijs ƒ 29,90

Dat J. Eijkelboom een eenvoudige en bescheiden dichter was, wisten we al. Het bleek bijvoorbeeld uit zijn bundel Kippevleugels uit 1991. Daarin zocht hij het, in navolging van de Engelse dichter Philip Larkin, in 'woorden gewoon als kippevleugels' - dus niet in al te grote bevlogenheid. Dat hij evenmin een zangerig dichter was, vloeide daar al min of meer uit voort. Dichters zijn, in zijn eigen woorden, 'eerder tegenbeeld dan evenknie van zangers'. De titel van zijn nieuwe bundel lijkt bij dit bescheiden, onlyrische programma aan te sluiten. Het lied van de krekel: dat suggereert een eenvoudig sjirpen, zingen met de voorvleugels, zonder veel variatie en zonder uitschieters in de hoge en de lage registers.

Achter deze treffende, maar toch ook wel licht ironische titel gaat nog een tweede ironische wending schuil. Het lied van de krekel is ook, zo valt in een aantekening te lezen, een verwijzing naar het droevige lot van Tithonos. Die had, op voorspraak van zijn geliefde Eos (de godin van de dageraad), van Zeus het eeuwige leven gekregen. Dat was voor een gewone sterveling geen geringe gunst, maar helaas was Eos vergeten ook meteen diens eeuwige jéugd bij de oppergod aan te vragen. En zo bleef de arme Tithonos dan weliswaar in leven, maar hij werd steeds ouder en ouder, om tenslotte te verschrompelen tot een krekel. Met deze oude krasser uit de Griekse mythologie voelt Eijkelboom (die dit voorjaar zeventig werd) zich verwant: een dichter op jaren, die wil blijven zingen, ook al is het dan steeds hetzelfde armzalige deuntje.

Wie kwaad wil kan de dichter gemakkelijk met zijn eigen beeldspraak om de oren slaan. Een krekel maakt geen grote sprongen. Een groot vernieuwer is Eijkelboom niet, ook niet binnen zijn eigen oeuvre. In zijn zes bundels tot nu toe vallen allerlei herhalingen aan te wijzen, tot aan het thema van de bejaarde krekel aan toe. Zo vergeleek hij al eens in een vroeger gedicht het eeuwig murmelen van een waterbron met het murmelen van 'een oude man, tevreden en toch triest,/ die weet dat hij nooit sterven zal': een treffende karakteristiek van de Tithonos die toen ook al in Eijkelboom zat.

Maar verder is er, vind ik, weinig reden om al te ver in Eijkelbooms ironie mee te gaan. Zijn poëzie is in de loop van vijftien jaar steeds beter geworden: zuiverder en vitaler en opvallend genoeg juist minder ouwelijk en stroef. Dit is het enige wat er nog omgaat in het hoofd van de oude dorstige krekel uit het titelgedicht:

Hem heugt het niets van water dat uit het niets van een karaf viel in het niets van een glas.

Veel is het niet, dit niets dat uit het niets in het niets valt, maar het zijn mooie en zelfs zangerige regels, waaruit blijkt dat het met de verschrompeling van althans deze krekel nog wel meevalt.

Ouderdom en jeugd zijn, dat zal niemand verrassen, de thema's in deze bundel, maar ze vormen hier geen voor de hand liggende tegenstelling. Naast gedichten over de berusting die met de jaren komt staan levendige jeugdherinneringen - en omgekeerd. Na een grappig vers over doofheid volgt een vrolijke 'anatomische les' over de bouw van het vrouwelijk geslachtsorgaan, tevens een handleiding voor het bereiken van een orgasme - en dat alles in één zin, in een soepele regelval, vol binnenrijmen.

Dezelfde mengeling van oude dag en jong elan is te vinden in de afdeling vertalingen die Eijkelboom hier, zoals in bijna al zijn bundels, op zijn eigen gedichten laat volgen. 'Alphabets' is een prachtig gedicht van Seamus Heaney over het leren van het alfabet, en over de andere alfabetten waarmee het leven gelezen kan worden. Van de oudere Yeats is er 'The tower', waarin de dichter zich, bij al zijn lijfelijk verval, verbaast over de opwinding en de hartstocht die zijn verbeelding hem op zijn oude dag nog bezorgt - heviger dan toen hij jong was. Waarna hij vrolijk zijn testament gaat opmaken.

Soms speelt Eijkelboom wat met ad hoc oplossingen voor het toch moeilijk te loochenen feit dat de tijd voortschrijdt. Kijkend naar de omgekeerde antieke zuilen in het kerkje van Venasque ('kapiteel op de grond, voet tegen 't plafond') vraagt hij zich af: 'en zouden wij zelf ook niet zo willen leven: omgekeerd, achterstevoren, andersom / als het kon?' Het is een wat gratuite vraag, maar hij laat er, bij wijze van antwoord, meteen een gedicht op volgen over iemand die wel zo omgekeerd, achterstevoren en andersom wist te leven: Piet Mondriaan. Die liet een verleden van stervende chrysanten achter zich, verruilde Blaricum voor New York en duister broeden voor helderheid, 'zo helder dat het bijna niet meer hoefde'. Mondriaans onvoltooid gebleven Victory Boogie-Woogie ziet Eijkelboom als een ideaal: het 'raakte nooit af, blijft eeuwig / in zijn wording voltooid.' Het vormt als het ware de geslaagde tegenhanger van het al even eeuwige, nooit affe, maar zoveel eentoniger en treuriger lied van de krekel.

Zelf is Eijkelboom ook, op zijn eigen manier, naar helderheid onderweg. Zijn mooiste gedichten vind ik die waarin hij afziet van al te veel gedachtenspel of al te levenswijze conclusies. Soms dient het betekenisvolle zich vanzelf in de werkelijkheid aan, en dan hoeft hij de betekenissen alleen maar voor zichzelf te laten spreken. 'Lege kerk' is een heldere inventarisatie van wat de dichter, ex-gereformeerd, nu ondergaat bij het betreden van een verlaten kerk. Nuchter, zonder spot of rancune registreert hij hoe deze 'nutteloze ruimte', deze 'leegte die het licht naar binnen zuigt' bezit van hem neemt en hoe hij vervolgens de aanwezigheid ondergaat van 'een afwezigheid' die hem wel degelijk nog steeds met ontzag vervult, maar die hem niet meer schenden kan.

Zo'n vanzelfsprekend gedicht is ook het hierbij afgedrukte 'Callantsoog'. Eenvoudige anekdote, eenvoudige vraag, schijnbaar eenvoudige conclusie, in een zorgvuldig arrangement. Het is een gedicht om mooie gedachten aan vast te knopen, over poëtica, of over het gedicht als een doorzichtig huis van woorden. Er zit een element van troost in: de dichter die dit tafereel en deze drie, vier mensen door de jaren heen bewaard heeft en nu in een gedicht buiten de tijd heeft geplaatst, 'zo blijvend / buiten bereik.' Maar het meest werd ik getroffen door de twee woorden waarmee de laatste strofe wordt ingeleid: 'in feite', alsof hier een antwoord volgt dat op zijn juistheid gecontroleerd kan worden. 'In feite': uiting van een kinderlijk geloof of van de koppige wil van de dichter om de tijd naar zijn hand te zetten. Wat hier in de slotregels beweerd wordt is in feite, in werkelijkheid, niet mogelijk, alleen in het hoofd van de dichter. Maar toch: wie dit gedicht gelezen heeft weet, met de dichter, zeker dat ze daar in Callantsoog nu nog steeds rustig om de tafel zitten, die drie, vier mensen, in dat ene vrijstaande huis, naast het fietspad.

UIT: J. EIJKELBOOM, HET LIED VAN DE KREKEL

Het huis stond vrij en was daarom doorzichtig. Het stond op zand, deed afstand van het duin en keek doorlopend over weiland met stilstaand vee.

Het fietspad liep erlangs zodat ik vluchtig maar wel degelijk kon zien hoe om een tafel drie, vier volwassenen in levendige rust volmaakt daar thuis en samen waren solide lichtval om zich heen.

Zij waren even oud als ik nu ben, een halve leeftijd later. Hoe hebben zij hun ouderdom verdragen, hoe zijn ze heengegaan? Ik vraag dit pas nu ik het schrijf.

In feite zitten zij nog net zo om die tafel in dat doorzichtig huis, zo blijvend buiten bereik.