Vechten voor iedere toon; Oeuvre van countertenor Alfred Deller op cd

De countertenor, een mannelijke alt, vervangt in authentieke uitvoeringen van oude muziek de jongensstem of de castraat. De Engelsman Alfred Deller (1912-1979) was een van de eersten die solistisch als countertenor optrad. “Zijn stem vloeit soepel over de strijkers heen.”

Alfred Deller Edition, uitgegeven door Vanguard Classics, telt 28 cd's. Een deel daarvan bestaat uit opnamen van voornamelijk Engelse madrigalen renaissance en barok koorwerken met het Dellerconsort; enkele zijn gewijd aan één componist (Dowland, Handel, Purcell, Monteverdi); enkele bestaan uit een verzameling (bewerkte) volksliedjes. De dubbel-cd The Art of Alfred Deller (08 9087 72) geeft een goed overzicht van Dellers zangkunst.

Dat fragiele, het gevoel te kijken naar een koorddanser die ieder moment kan vallen, dat geeft de stem van de countertenor iets heel aantrekkelijks. Geen enkele andere stemsoort moet zich zo voortdurend in acrobatische bochten wringen om op toon te blijven. Een coloratuursopraan kan af en toe uitglijden over een lastige notenreeks, een bas kan in de diepste regionen van zijn stem een keer zijn kracht verliezen en tenoren wedijveren altijd om de hoogste toon. Maar geen van hen wekt de indruk, zoals de countertenor, een constant gevecht om iedere toon te moeten leveren.

De countertenor is een mannenstem die door handige manipulatie van het strottenhoofd dezelfde toonhoogte weet te bereiken als een lage vrouwenstem. Door de stembanden extra aan te spannen worden de lubberende stemplooispieren, die gewoonlijk verantwoordelijk zijn voor de toonproduktie, nauwelijks aangesproken. Bij het trillen in dit zogenaamde falsetregister raken de beide plooien elkaar bijna niet - behalve bij het zingen van de allerhoogste tonen. Het timbre van de countertenor verschilt door die bijzondere techniek nogal van dat van de (vrouwen)alt. Het geluid is veel strakker, helder, bijna vibratoloos en zelden erg kleurrijk. De stem van een countertenor heeft eerder een zilverglans dan een gouden gloed.

Zonder Alfred Deller (1912-1979) zou de countertenor waarschijnlijk zijn gebleven wat hij tot aan de Tweede Wereldoorlog was: een mannelijke altstem in de kathedrale koren in Engeland. Deller zong sinds het einde van de jaren dertig in het koor van de kathedraal van Canterbury. Maar hij nam geen genoegen met zo'n ondergeschikte rol, niet voor niets was hij door de dirigenten van de kathedralen van Lincoln en Salisbury geweigerd om zijn uitgesproken timbre.

Er was moed voor nodig om in die tijd als countertenor solistisch te gaan zingen. De countertenor die in 1930 in een opera van Händel had opgetreden, werd door de recensent van The Times nog gezien als een bewijs voor 'de tendens van opera (-) om te degenereren in het absurde'. En Dellers eigen solistische optreden werd aanvankelijk door de meeste critici beschouwd als een aardige gimmick van een man met een verwijfde stem.

Oude muziek was sowieso geen vanzelfsprekend onderdeel van het concertbedrijf, en al helemaal niet de oude muziek die op een historisch verantwoorde manier werd uitgevoerd - althans zoals men toen dacht dat historisch verantwoord hoorde te klinken. Componist (en in die tijd ook concertorganisator) Michael Tippett durfde Alfred Deller, die hij in 1943 in Canterbury had gehoord, in Londen dan ook geen Purcell te laten zingen. Dat zou het publiek alleen maar choqueren. Hij koos daarom voor Bach, de aria 'Esurientes' uit het Magnificat. Maar zelfs dit was voor de meeste critici kennelijk al te veel - ze werden zozeer verrast door het gebruik van de blokfluiten, waar ze niks van moesten hebben, dat ze nauwelijks aandacht besteedden aan de stem van Deller.

Maar de ontwikkeling in de uitvoering van oude muziek ging snel. In september 1946 werd Deller uitgenodigd voor het allereerste programma van de nieuwe klassieke Engelse radiozender BBC 3 - met een werk van Purcell! En daarna trad hij alleen nog maar op als solist. Hij deed dat vaak samen met luitist Desmond Dupré (vaak werd hij door onwetende organisatoren uitgenodigd om een concert te geven met 'die banjo-speler'), en na 1950 vooral met zijn eigen consort. In Nederland trad hij ondermeer op met oude-muziekuitvoerders als Gustav Leonhardt en Frans Brüggen. De waardering voor Deller groeide zo snel, dat Benjamin Britten hem al in 1960 een grote rol gaf in zijn opera A Midsummer Night's Dream.

Fluwelig

Alfred Deller, wiens platen-oeuvre in de Deller Edition wordt heruitgebracht, heeft zichzelf het vak geleerd. Hij kon met zijn stemsoort nog niet terecht op het conservatorium, zoals tegenwoordig. Of het daardoor komt, is de vraag, maar zeker is dat Dellers stem een heel eigen karakter heeft. Moderne countertenoren hebben over het algemeen een krachtig, en ondanks de vrouwelijke hoogte een macho-achtig geluid. Deller klinkt fluwelig; zoals hij bij voorbeeld het 'Agnus Dei' uit de Hohe Messe van Bach zingt, dat zou geen countertenor nu nog kunnen. De stem vloeit soepel over de strijkers heen, het is alsof alle overgangen en grote intervallen extra gepolijst zijn. Af en toe laat hij zijn keel voorzichtig trillen - het woord vibrato zou niet op zijn plaats zijn voor deze kleine stemhuiveringen.

De countertenor is dankzij Deller niet meer weg te denken uit de oude muziek. Wie de cantates van Bach wil laten klinken zoals ze ten tijde van de componist klonken, mag geen vrouwenstemmen gebruiken, want vrouwen werden in Bachs tijd op het altaar niet geduld. Ook in barokopera's zijn de mooiste rollen meestal voor mannenstemmen met een onnatuurlijk hoge ligging.

Toch werden die partijen vroeger zelden door countertenoren gezongen. Bach gebruikte in zijn cantates meestal jongensstemmen, die vóór hun stembreuk van nature een sopraan- of altregister hebben. Maar in Bachs tijd kregen jongens op veel latere leeftijd 'de baard in de keel'. Nu moeten knaapjes van een jaar of dertien de vaak dramatische en technisch zeer lastige aria's van Bach zingen, en dat valt niet mee.

In zeventiende- en achttiende-eeuwse opera's gebruikten componisten voor hun grote mannelijke heldenrollen weliswaar een hoge ligging, maar ze hadden daarbij niet het geluid van countertenoren, maar dat van castraat-zangers in gedachte. En hoewel niet meer precies te achterhalen is hoe castraten klonken, is het vrijwel zeker dat hun geluid meer leek op dat van een dramatische sopraan dan van een countertenor.

Deller was wat dat betreft geen dogmaticus. Hij behoorde weliswaar tot de pioniers op het gebied van de historische uitvoeringspraktijk en zijn optredens markeerden in de jaren vijftig een nieuwe benadering van de oude muziek. Maar een grote wetenschappelijke interesse in oude muziek, zoals bijvoorbeeld de klavecinist Gustav Leonhardt en cellist en dirigent Nikolaus Harnoncourt dat hadden, bezat Deller niet.

Veel repeteren wilde Deller ook niet. De Nederlandse blokfluitist Kees Otten herinnerde zich ooit dat Deller nooit meer dan een paar maten van een werk wilde oefenen. Dan zakte hij onderuit en zei: 'Ik zing wel suggestief, ik weet ook niet precies wat ik doe.' Volgens Otten deed Deller ieder concert iets anders en zat hij altijd half te improviseren.

Het is alsof Deller zich altijd heeft gerealiseerd dat de countertenor misschien wel het grootste compromis is in de historische uitvoeringspraktijk. Terwijl hij er mede verantwoordelijk voor was dat deze stemsoort, meer dan menig 'oud' instrument, geassocieerd met authentieke uitvoeringen. Het is ook wel een beetje sneu voor uitvoerders van oude muziek, die juist zo hechten aan een historisch verantwoorde klank, dat ze op het gebied van de zang zulke grote compromissen moeten sluiten. Een klavecimbel, een viool of een trompet kunnen op basis van oude voorbeelden gemakkelijk gekopieerd worden. Maar een stembreuk kan niet zomaar vertraagd worden. En weinig jongens zullen bereid zijn zich te laten castreren om later primo uomo in een operagezelschap te worden.

Het bewijst weer eens hoe artificieel het streven naar historisch verantwoorde uitvoeringen eigenlijk is. De solistische countertenor is een naoorlogs fenomeen. Kennelijk beantwoordde Deller met zijn wonderlijke stemgeluid aan een modern klankideaal. Later werd dat geprojecteerd op muziek uit het verre verleden, de romantische overdaad van vroeger maakte plaats voor een helder, analytisch geluid. Het is is dan ook niet vreemd dat de countertenor hier en daar al weer een beetje op zijn retour is, nu de ergste hausse van nuchterheid voorbij is. Dat zou wel eens de belangstelling kunnen verklaren voor de warme, lyrische stem van Alfred Deller.

    • Paul Luttikhuis