Stoempen voor het geld, niet uit passie

Hij was een wielrenner van de oude stempel, een stoemper die steeds meer groeven in zijn gezicht kreeg. Geld verdienen was zijn grootste drijfveer. Jelle Nijdam (33) hoeft zich na 111 profzeges weinig zorgen meer te maken.

ZUNDERT, 16 AUG. Het leven na de fiets heeft ook zijn voordelen. Jelle Nijdam steekt een sigaret op en kijkt erbij alsof hij iets stiekems doet. Een wielrenner die rookt, het is geen alledaags gezicht. Nauwelijks twee maanden is hij verwijderd van zijn sportieve afscheid. In zijn gedachten heeft hij de fiets al met een half wiel in de schuur gereden. “Vorig jaar ben ik begonnen met af en toe een sigaretje. Gezien het aantal overwinningen ben ik er niet slechter door gaan rijden.”

Het leven na de fiets is een groot vraagteken. Maar van een zwart gat wil hij niet spreken. Misschien keert hij ooit nog wel eens terug in de mysterieuze wielersport. Maar niet als assistent van een ploegleider, want assisteren past niet bij zijn karakter. Hij luistert het liefst naar zijn eigen raadgevingen.

“Door het fietsen heb ik genoeg luxe meegekregen om me voorlopig weinig zorgen te hoeven maken. Ik heb in financieel opzicht geen reden om op iemand jaloers te zijn. Geld verdienen zal ik nog het meeste missen, meer dan het sportieve aspect. Zo fantastisch vond ik de wielersport nu ook weer niet. Een passie is het nooit echt geworden. Het voelde meer als een beroep, dat ik alleen leuk vond als ik zelf goed had gereden.”

Hij herinnert zich de momenten waarop hij zich onverslaanbaar waande. Dan zat hij altijd van voren, miste hij nooit de slag. Het raadsel van de goede benen. “De geheimzinnigheid rond de wielersport is geen fabeltje. Wie is er wel en wie is er niet in vorm. Om daar achter te komen heb je koersinzicht nodig. Dat kun je niemand aanleren. Ik heb vaak genoeg meegemaakt dat ik collega's dingen probeerde uit te leggen, maar de volgende keer maakten ze precies dezelfde fout.”

Nijdam deelde met Jan Raas - gedurende elf jaar zijn ploegleider - een soort boerenslimheid. Op de fiets maakte hij altijd een intelligente indruk, terwijl het op school nooit zo wilde lukken. “Ik heb geen opleiding gehad, helemaal niks. De kokschool heb ik niet afgemaakt. Ik ben op m'n zestiende gaan fietsen en moest per se beroepsrenner worden. De maatschappij zat ook niet echt op mij te wachten. Ik had misschien fietsenmaker kunnen worden, meer niet. Daarom wilde ik zo snel mogelijk mijn toekomst veiligstellen.” Hij is geboren in Haarlem maar woonde bijna zijn hele leven in het Brabantse Zundert. Hij leerde fietsen bij zijn vader Henk, zelf een begenadigd baanrenner. Hij leerde koersen bij Raas, de Zeeuwse baas die iedereen uitkafferde behalve Jelle Nijdam. “Misschien was ik wel zijn oogappel.” Sinds anderhalf jaar fietst hij onder leiding van Cees Priem. “Die is veel rustiger dan Raas. Als je een keer slecht had gereden, raakte hij niet direct in paniek.”

“De laatste twee seizoenen bij Raas waren knudde. De ploeg draaide niet en ik trok me dat erg aan. Je hebt als oudere toch een bepaalde verantwoording. Je verdiende goed maar presteerde weinig. Je wordt steeds nerveuzer. Je krijgt faalangst. Je vliegt er in op de verkeerde momenten. Je zit overspannen op de fiets. Daarom was het goed dat ik naar TVM ben gegaan. Die overstap kwam op het goede moment.”

Zijn sportieve hoogtepunt lag tussen 1987 en 1991. Negen jaar geleden kreeg hij na de Tourproloog in West-Berlijn voor de eerste en laatste maal de gele trui omgehangen. De bewuste foto hangt thuis in de gang, op het eerste oog de enige herinnering aan een rijk wielerleven. Vijf keer won hij een etappe in de Tour. Verder zegevierde hij in drie belangrijke klassiekers: de Amstel Goldrace, Parijs-Brussel en Parijs-Tours. Kenners zeggen dat hij zijn talenten niet volledig heeft aangesproken. Zelf is hij tevreden met zijn erelijst.

De proloog en de late solovlucht waren zijn specialiteit. Hij was de ideale gangmaker voor de sprinter in de ploeg. Hij was een krachtpatser op de fiets. Een waaghals ook. “Wielrenners moeten kloten hebben. Brutaal, eigenzinnig zijn. Ook al moet je je eigen ploegmaat voorbij rijden.”

Zoals de meeste wielrenners durfde de dertiger minder dan de twintiger. “Wringen deed ik de laatste jaren steeds minder. Je krijgt kinderen, je gaat er minder doldriest in. Ik heb te vaak in de remmen geknepen om nog aanspraak te kunnen maken op een grote overwinning. Dat kun je stom vinden, maar zo werken die dingen nu eenmaal.”

“En vergeet niet dat de concurrentie steeds harder is gaan rijden. In de wereldbekerwedstrijden heb je vijftig serieuze kanshebbers. Als je goed rijdt, is het soms net of je slecht rijdt, want de anderen rijden zo ongelooflijk hard. Zeker bergop, dan zat ik de laatste jaren verschrikkelijk af te zien. Wat een tempo rijden die mannen tegenwoordig!”

Het buitenland is voor hem nooit een aanlokkelijk avontuur geweest. Hij koesterde zijn gezinsleven. “Ik ben iemand die lekker in zijn achtertuin wil zitten en niet de hele tijd heen en weer wil reizen naar Italië. Daar zou ik me toch een beetje op een onbewoond eiland hebben gevoeld. In je eentje tussen al die vreemde snuiters, dat zou niks voor mij zijn geweest.”

Over twee maanden neemt hij afscheid van de sport en van zijn collega's. Zonder wrok, maar ook zonder warme gevoelens. “In de wielrennerij heb je meer collegialiteit dan vriendschap. Dat komt door de verschillende salarissen. De rijken trekken naar de rijken toe. Anders krijg je afgunst. Wielrennen is een individuele sport die je in groepsverband moet uitoefenen. De knecht krijgt een schijntje van wat de kampioen verdient. Dat heb ik altijd heel onrechtvaardig gevonden.”