Om de luxueuze volzinnen

Een vriend van mij, in 1914 geboren, kende op zijn zeventiende de bundel Voorbij de wegen van A. Roland Holst uit zijn hoofd. Dankzij herhaalde lectuur. Hij bewonderde twee dichters: A. Roland Holst en Rainer Maria Rilke. Toen, in de eerste jaren dertig, las hij in het tijdschrift 'Forum' de Verzen van vroeger van Willem Elsschot.

Eens en voor al nam hij afscheid van de poëzie die hij zo mooi had gevonden. Het schone, het verhevene, hij ruilde het voor het werkelijke, het echte. Erich Kästner, Kurt Tucholsky ging hij bewonderen en houdt dat vol tot vandaag de dag. Tussen hem en A. Roland Holst is het niet meer goed gekomen. En Voorbij de wegen kent hij niet meer uit zijn hoofd.

Hij vertelde zijn geschiedenis naar aanleiding van het pleidooi dat ik veertien dagen geleden op deze pagina hield voor In memoriam Charles Edgar du Perron en Menno ter Braak, drie gedichten van A. Roland Holst. In de oorlogsjaren konden die vanzelfsprekend niet verschijnen. Ik had ze vroeg in 1942 in een stencil te lezen gekregen en was er diep van onder de indruk geraakt. Vergeefs pleidooi. Mijn vriend volhardde in verloochening en zijn vrouw wreef zout in mijn wonden door honend het begin van Een winter aan zee te citeren: “Eens liep zij hoog te spreken langs de Noordzee.” Wat een onzin. Ik had zelfs niet de moed om te stellen dat in elk geval de tweede zin van dat vers mooi was: “een dag kermde er om aan te breken.” Want zij had met weerzin kunnen verdergaan: “Zij overstemde hem, sprekend nog met de nacht.” Op zondagochtend, met koffie en stroopwafel, vond ik het een rare gedachte, die vrouw in de winterkou aan zee zo luid schreeuwend tegen de nacht dat je de dageraad niet eens kon verstaan.

Bitter las ik die zondagmiddag verder. Voorbij de wegen (1920) had ik op m'n zeventiende te ijl gevonden, maar natuurlijk kende ik 'De vagebond' uit mijn hoofd: “Zij wikken en wegen hun geld en hun god.” In De wilde kim (1925) herlas ik 'De nederlaag', het lange verhaal van de dichter die zijn verheven dubbelganger, zijn geweten, zijn superego ontmoet en in paniek vlucht. “Grandioos, grandioos”, prevelde ik, “om de inhoud, om de luxueuze volzinnen, om de wisselingen van tempo, om de virtuoze techniek van alexandrijnen zonder cesuur in het midden.” Dat prevelde ik, deftig argumenterend tegen mijn afwezige vrienden.

Een winter aan zee (1937) had ik ooit, op mijn zeventiende, bemind en bewonderd, en pas toen ik later de gedichten tegen de wereld, de oorlogsgedichten, de ondergangsgedichten las verbleekte mijn bewondering. En na de oorlog? A. Roland Holst was een man van tegen de zestig, de 'prins onzer dichters', schreef zijn raadseltekst voor het monument op de Dam, werd geëerd, dichtte verder, gelegenheidspoëzie, bon mots in versvorm, lyriek die leek op vroege lyriek. Ik verloor mijn belangstelling.

Ik heb hem niet verloochend of ingeruild. Wanneer ik herlees wat mij een halve eeuw geleden zo ontroerde vraag ik me af of mijn ontroering van nu niet vooral herhaling is van de ontroering van toen. Stel dat het zo is, dan geeft mij dat de mogelijkheid mij te vereenzelvigen met de jongen die ik ooit ben geweest en voor wie ik niet eens veel sympathie heb. Een zeker contact met die jongen stel ik toch op prijs. Ik ken veel mensen die graag de boeken terugzien en herlezen waar ze als kind door werden geboeid. Het sentiment dat hen beheerst ken ik niet, tot mijn spijt. Ik las heel veel en van het allerbeste want de Gemeentebibliotheek van Rotterdam had een kunstzinnige en opvoedkundige smaak, en mijn vader was er de directeur van. Ik speel het niet klaar terug te keren naar die jaren door aan Fulco de minstreel te denken. Foetsie al die boeken, foetsie die kindertijd. Mijn leven begint omstreeks mijn dertiende.

A. Roland Holst heb ik één keer ontmoet, op 18 april 1973. In het etablissement De Silveren Spiegel aan het Kattegat te Amsterdam. De eigenaar Jan May (ovl.) had Victor E. van Vriesland (ovl.) een diner aangeboden ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag, en Van Vriesland mocht de gasten kiezen. Een gezellige avond met Bert Voeten (ovl.), Gerrit Borgers (ovl.), Han G. Hoekstra (ovl.), Ben Stroman (ovl.) en anderen. Aan het hoofd van de tafel zat Van Vriesland en aan zijn rechterzijde Roland Holst. Van Vrieslands vrouw Adrienne (ovl.) zat aan zijn linkerzijde en ik zat naast haar. De conversatie van de oude dichters kon ik goed volgen.

Roland Holst was zo oud, 84, dat iedereen hem bij zijn voornaam Jany noemde, behalve ik, en hij had nog zijn mooie kop van veroveraar. Zijn lichaam was uitgezakt. Hij zei: “Ik eindig als een analfabeet maar als een lucide analfabeet.” Toen Van Vriesland Goethe citeerde, om hem van diens kwaliteit te overtuigen, zei hij: “Goethe is een Apollo, maar van gips.” Alles wat hij zei had ik eerder gehoord of gelezen, hij was zijn papegaai en zijn gulp stond open. Een groot man die er geen zin meer in had. Het was niet eens pijnlijk.