Nuchter, zelfs over de dood; Postuum verschenen bundel van Bert Schierbeek

Bert Schierbeek: Vlucht van de vogel. Uitg. De Bezige Bij, 74 blz. Prijs ƒ 34,50

Tot vlak voor zijn dood, op 9 juni van dit jaar, schreef Bert Schierbeek nog gedichten. Het viel hem moeilijk met vrienden over zijn ziekte en het daaraan verbonden levenseinde te praten, maar in zijn laatste verzen uit hij zich openlijk over het sterven:

de dag valt omhoog uit de nacht alles wordt zichtbaar ik zie het einde van mijn weg mijn afgrond ben bang voor mijn nacht die ik al in mij draag en dan zie ik mij vallen Zo nuchter, bijna laconiek, zal geen andere dichter zijn doodsangst noteren. Zelfs in de laatste ademtocht bleef Schierbeek trouw aan zijn streven om in lapidaire taal de realiteit binnen te halen - hoe afschrikwekkend die realiteit ook was.

Vlucht van de vogel heet de bundel die nu postuum door De Bezige Bij is uitgegeven. De verzen in dit boek gaan niet allemaal over het sterven, maar de overige thema's blijven dicht in de buurt daarvan. Schierbeek beschouwt in vijftig verzen de onzekere ruimte van lucht, leegte en oneindigheid. Vogels, wolken, wind en storm geven vorm aan deze abstracties, waardoor ze - al is het maar voor een ogenblik - realiteit worden.

Net zoals in De zichtbare ruimte (1993) lijken veel gedichten in Vlucht van de vogel niet meer dan fragmenten, alsof ze niet af zijn. Maar de onderlinge samenhang van deze notities blijkt zonneklaar voor wie verder leest. 'Welke dromen / bevliegen de vogels / dat zij zich lichtvaardig / in zoveel lucht / begeven' vraagt Schierbeek verbaasd in het eerste gedicht. Het antwoord komt al in zijn vierde vers: 'door te vliegen / houden vogels / net als dichters / het raadsel in stand'.

Natuurlijk is dit geen echt antwoord, maar dat valt van een dichter ook niet te verwachten. Bij Schierbeek worden raadsels aan raadsels gespiegeld, doorgaans met de logica van een kind. De wind doet wat-ie wil, stelt hij bijvoorbeeld, en dan:

als de wind waait (en het waait altijd als er wind is) bewegen de toppen van de bomen zodat je uit de verte de wind al kunt zien Dat is prachtig bekeken en, hoe simpel ook, krachtig gezegd. Het is ook lichtvoetig, zoals alle humor in het werk van Schierbeek. Die humor is steeds het gevolg van zijn onthechte manier van kijken, doorgaans vanuit een onverwacht perspectief.

Op de eerste pagina van Schierbeeks bundel Weerwerk (1977) verklaarde de Franse boer Marcel de mechaniek van het vliegen als een tik met de vleugels tegen de lucht. In Vlucht van de vogel wordt het vliegen en de sensatie daarvan in telkens andere bewoordingen, vanuit wisselende perspectieven in beeld gebracht. Nu eens 'blaast de wind zich op / tot ie zelf een vogel wordt', dan weer is het Schierbeek zelf die zijn zintuigen blootstelt aan het vliegen en, zoals in 'Mondriaan', zijn land in vogelvlucht beziet:

vlieg ik over Holland zie ik Mondriaan liggen tussen sloten, kanalen en heggen ligt hij rustig in zijn eigen schilderij Bert Schierbeek had een nauwe vriendschapsband met veel beeldende kunstenaars. Een groot aantal van hen illustreerde bibliofiele edities van zijn werk. In Vlucht van de vogel zijn een aantal gedichten voor deze kunstvrienden, zoals Nono (Reinhold) en Frank Lodeizen, opgenomen. In deze verzen overheerst de ernst, waarschijnlijk omdat er eerder sprake is van een 'gehechte' dan van een onthechte blik. Ook hier is vaak prachtig gekeken, en ook hier zet Schierbeek het geziene in een ruimer perspectief. Zo eindigt hij het eerste gedicht voor Vanche met de conclusie 'misschien / begint alles wel / met een stip / een vlek in de ruimte'.

Ernstig zijn de gedichten over overleden schrijvers als Cees Buddingh', Anne Frank, Lucebert en Ingeborg Bachmann. En ernstig van toon ook zijn de raadselachtige cycli 'de eerste wereld' en 'de nieuwe wereld'. Daarin strijden de dichter en de verhalenverteller, zoals in Schierbeeks meesterwerken Weerwerk, Betrekkingen en Binnenwerk, om het auteurschap. Er wordt meer verteld dan geïsoleerd. En om isolatie gaat het in de poëzie, zoals Schierbeek ooit in een interview met de Volkskrant verklaarde: 'isoleren en dat tot gedicht maken.'

Een bewogen afscheid van een bewogen dichtersleven, deze bundel. Schierbeek zelf vat dat leven eigenzinnig samen in een gedicht dat de nuchtere toon laat klinken die hem als kind door zijn grootmoeder in het Groningse Beerta werd aangeleerd. Een toon die zijn oeuvre tot het laatst beheersen zou.

geboren, ongevraagd denkt hij uit ouders ongevraagd spelen in ruimtes ongevraagd om eten wel gevraagd en gekregen nog voor het woord bestond nagebootst en met succes