Netelenbos over lesprogramma op de middelbare scholen; 'Iedere school kleurt zijn eigen basisvorming'

ZOETERMEER, 16 AUG. “Een compromis, van een compromis, van een compromis”. Zo betitelde de bedenker van de basisvorming, prof. dr. C.J.M. Schuyt, in 1991 het wetsvoorstel dat de invoering van het gemeenschappelijk lesprogramma in de eerste klassen van de middelbare school regelde. Schuyt achtte zijn geesteskind zo zeer aangetast door politieke deals, dat hij de uitkomst niet meer voor zijn rekening wenste te nemen. Toch was in 1993 de basisvorming op middelbare scholen een feit.

Drie jaar later rijst de vraag of het gemeenschappelijke programma niet nog verder is verwaterd, nu door verzet uit de schoolpraktijk. Het nieuwe programma voor alle middelbare scholieren van beroepsonderwijs tot gymnasium komt onvoldoende van de grond, zo blijkt uit onderzoek. Leraren weten niet hoe ze scholieren met uiteenlopende kwaliteiten en capaciteiten eenzelfde pakket aan vaardigheden en kennis moeten bijbrengen. Daardoor worden leerlingen vroeger in plaats van later geselecteerd, concludeerde de Utrechtse hoogleraar onderwijsvernieuwing prof.dr. N. Lagerweij. Eerder liepen scholen al op tegen de identieke afsluitingstoetsen. Die bleken te moeilijk voor zwakke leerlingen.

Deze week kwam staatssecretaris T. Netelenbos (PvdA, Onderwijs) met een antwoord. Ze schreef de betrokken onderwijsorganisaties te willen afstappen van identieke toetsen voor alle leerlingen. De toetsen mogen voortaan “variëren in niveau, in taalvaardigheid, in culturele achtergrond of in leerstijl.” In haar werkkamer in Zoetermeer licht de staatssecretaris haar besluit toe.

Is uw voorstel een nieuw compromis dat het einde inluidt van de basisvorming?

Netelenbos: “Nee, want de kerndoelen die het hart van de basisvorming vormen, veranderen niet. Daar staat heel globaal in wat alle leerlingen moeten kennen en kunnen voor elk vak. Een school is er vrij in hoe hij de kerndoelen invult. Dat betekent al dat een VWO-scholier op een ander niveau kerndoelen krijgt aangeboden dan een leerling van het beroepsonderwijs. Een voorbeeld: bij Nederlands luidt een kerndoel 'schrijf een sollicitatiebrief'. In mijn voorstel kan de VWO'er dan een brief met een hoog abstractieniveau schrijven aan een accountantsbureau en de leerling uit het beroepsonderwijs aan een supermarkt, maar die brief moeten ze beiden kunnen schrijven.

“Ik vind dat de basisvorming juist goed loopt. Het pakket van vijftien vakken is er door, met drie nieuwe vakken: informatiekunde, techniek en verzorging en het lesprogramma is verzwaard van 30 naar 32 uur per week. Op basis daarvan kun je zeggen dat leerlingen meer weten - één van de doelen van de basisvorming. Ook heeft de basisvorming schitterende nieuwe methodes gebracht, die niet alleen weetjes bijbrengen maar gericht zijn op vaardigheden en samenhang tussen vakken. Scholen werken daar graag mee.”

Uit onderzoek van Lagerweij bleek dat leraren nog steeds de gemiddelde leerling in een klas van dertig als uitgangspunt nemen. De goede en slechte leerlingen zitten er voor spek en bonen bij.

“Op dat punt zeg ik: we zijn er nog niet. Omgaan met verschillen, dat vindt men in onderwijs heel erg moeilijk, al jaren. Ik vind dat scholen de basisvorming anders moeten organiseren, en zal voorstellen scholen wettelijk meer mogelijkheden te bieden. Scholen moeten vakken gaan combineren. Scholen zouden vakken moeten aanbieden in blokken en leerlingen vaker in groepjes in een klas laten werken. Waarom zou je Engels niet met informatica combineren? Kinderen computertechnologie leren met een Engelse handleiding. Dat is toch prachtig? Brugklassers hebben het nu echt heel druk, elk uur een ander vak en als je niet oppast geven al die docenten nog huiswerk ook. Een school moet zorgen dat de tijd die je besteedt aan het programma niet uiteenvalt in telkens een uur per week voor een vak. Dat beklijft niet.”

Lagerweij signaleert ook dat scholen afstappen van meerjarige klassen met kinderen van alle niveaus, de heterogene klassen. Uw voorganger, Wallage, zag de basisvorming bij uitstek in deze klassen vorm krijgen.

“Ja, maar het moet niet. Heterogene brugklassen staan niet in de wet. Er wordt inderdaad steeds minder met heterogene groepen gewerkt. Er komen zogeheten dakpanconstructies voor in de plaats, waarbij leerlingen van twee aanpalende schooltypes bij elkaar in een klas zitten, bijvoorbeeld Havo bij VWO. Een doel van de basisvorming is dat leerlingen het maximale rendement uit onderwijs halen, niet hun prestaties laten bepalen door hun afkomst, maar door wat ze kunnen. In de jaren zestig is gedacht dat daarvoor heterogene groepsvorming nodig is, maar we zien nu dat het ook anders kan. In de jaren negentig is de dakpanconstructie dominant geworden, en brede scholengemeenschapsvorming. Samen scheppen die de beste condities voor het afwerken van het gemeenschappelijk onderwijsprogramma”.

Wanneer is voor u de basisvorming mislukt?

“Als ik straks merk dat meer leerlingen opleidingen stapelen, na de Mavo ook een Havo-diploma willen halen, en dus in een eerder stadium verkeerd zijn geselecteerd. Maar dat is nog niet aan de orde, dat kunnen we pas beoordelen in 1999, na zes jaar basisvorming. Tot dusver neemt het stapelen juist af. Overigens: het is niet mijn bedoeling stapelen helemaal onmogelijk te maken.”

Toch proberen scholen de basisvorming te dwarsbomen door niet te toetsen.

“Dat bestrijd ik. Dat is een enkeling. Veruit de meeste scholen zijn nu enthousiast omdat ze eindelijk aan het werk kunnen. De vernieuwing in het voortgezet onderwijs heeft bij de start als manco gehad dat er een kwart eeuw alleen maar gesproken was over vernieuwing. Je moet niet te lang praten over onderwijsvernieuwing, dat is fnuikend. Je moet ermee beginnen en het afmaken, of je moet er afblijven. Het onderwerp werd heel ideologisch benaderd, terwijl het voor mij helemaal geen ideologische discussie is. Onderwijsvernieuwing wordt niet opgelegd, maar komt samen met scholen tot stand. Iedere school kleurt zijn eigen basisvorming. Je hebt het basisonderwijs dat samen met de basisvorming een bepaald fundament legt waarvan elke Nederlander zegt: dat heb je nodig om je later te kunnen redden. Het gaat erom dat elke leerling daarin zo hoog en zo ver mogelijk komt. Pas daarna ga je voorbereiden op het eindexamen in een schooltype.”

Maakt de geschiedenis van de basisvorming u niet sceptisch over het slagen van grote onderwijshervormingen?

“Onderwijshervorming hoort in een snel veranderende samenleving een permanente bezigheid te zijn. Wat ik uit de geschiedenis van de basisvorming leer, is dat je die hervormingen langs de lesinhoud moet benaderen, niet vanuit de schoolstructuur. Toen men in de basisvorming de discussie over schooltypen losliet en de omslag maakte naar de inhoud van het onderwijs, kwam er een versnelling in die discussie.”