Miniromans

Raster 74. Pilroman. Uitg. De Bezige Bij, 232 blz. Prijs ƒ 25,-

Half literair Nederland en een kwart België werkte mee aan een schitterend nummer van Raster over de roman. Over de 'pilroman' om nauwkeuriger te zijn, waarmee een miniroman bedoeld wordt. Een 'bonsairoman', met een ander mooi woord. Eerst komen acht beschouwingen over de roman in het algemeen, teksten die eerder werden uitgesproken als SLAA-lezingen in Amsterdam. Dan staan er nog twee essays in over de pilroman - waar komt dat woord toch vandaan? -, een van Jacq Vogelaar en een van hoogleraar visuele vormgeving Paul Mijksenaar, en dan zijn er 15 buitenlandse en 36 Nederlandse pilromans opgenomen. Vorm-of-ventman J.J. Oversteegen sluit af met een aflevering van zijn persoonlijke kroniek over lezen. Eenenvijftig romans, romanettes, prozavignetten in één tijdschrift en ook nog elf beschouwingen! Raster zoekt de breedte, maar ruilt daar gelukkig de diepte niet voor in.

Wie weet er nog iets origineels te zeggen over 'de roman'? Dat móet wel iets heel persoonlijks zijn, of iets bijzonder hoog gegrepens. Zoals 'In zijn veelvormigheid is de romankunst ook de noodzakelijke complicatie van een bijbelse hang naar Het Ene', geponeerd door Marja Brouwers. Zij is op haar best wanneer ze bevlogen raakt. Hier windt ze zich op over een 'domkoprecensie' in deze krant van Claes' en Neys' nieuwe vertaling van Ulysses. P.F. Thomese zocht haars inziens te veel naar de 'vent' in de roman: 'Hoeveel schrijvers mag deze achterlijke Inquisitie van de Persoonlijkheid nog van de tafel vegen voor de lezers de Libriswinkels aanvallen en van louter hersenverweking al dat zoetsappige privépathos bij de kassa ondersteboven beginnen te smijten!' Schrijver en docent literair vertalen Claes is zelf in Raster tweemaal aanwezig, met een kort essay over de (post)modernistische mythische parallel in de antieke roman, en met een pilroman die hij baseerde op de Reinaert. De roman is geen moderne vinding, betoogt Claes, maar stamt van de Grieken. In de korte SLAA-essays vallen de namen van Diderot, Valéry, Rousseau, en vooral Cervantes. Alleen Arnold Heumakers actualiseerde het onderwerp door te beginnen over het hedendaagse klagen over de autobiografische neigingen van auteurs, terwijl de resultaten ervan juist zo gretig verslonden worden. Reve, Grunberg, 't Hart, Van Dis, Van der Heijden en Palmen, allemaal danken ze hun succes aan het gehalte privé in hun romans. Herkenning en zelfbevestiging, diagnosticeert Heumakers, maar wee de schrijver die zijn roman te weinig literair maakt, met vorm, stijl, compositie, taalgebruik, en beelden niet voldoende appelleert aan de literaire behoefte van de lezer. Pas als in een autobiografische roman het ik van de schrijver uiteindelijk verdwijnt, verandert in een abstracter iemand, slaagt hij als literatuur. Heumakers noemt uiteenlopende boeken als Gesloten huis van Matsier en Rachels rokje van Mutsaers als grote autobiografische literaire romans.

Zowel Matsier als Mutsaers staan ook met pilromans in Raster. Mutsaers' ogenschijnlijk grillige maar o zo gerichte fantasie trekt het hardst. Iets meer dan één bladzijde heeft ze nodig voor een als parabel verhuld pleidooi voor literatuur die geen boodschap heeft: 'Eindelijk kan de literatuur weer onbevangen haar vleermuizigste vleugels uitslaan. De nobelprijs zal voortaan Kafkaprijs heten en de trofee, een zwartbronzen kraai, zal in het diepst van de stad Praag worden uitgereikt.'

Matsier koos voor een kafkaeske monoloog maar speelde een tikje vals: zijn pil heeft een open einde. Zijn mederedacteur Jacq Vogelaar legt in 'Broekzak-vestzak en v.v.' uit wat een pilroman nu precies is, waarbij hij dankbaar put uit vele eerdere nummers van Raster. Hij gebruikt megalomane kathedralen van romanbouwwerken als die van Musil, Proust en Flaubert voor zijn uitleg. Volgens Vogelaar zijn dat helemaal geen doorgecomponeerde symfonische romans uit één stuk maar cumulaties van episodes, 'archipels van dobberende miniaturen'. (Het lijkt overigens of Vogelaar de term 'pilroman' ontleent aan een Duitse vertaling van de titel van Giorgio Manganelli's Centuria. Cento piccoli romanzi fiume, wat in het Nederlands gevleugelde romans werd maar in het Duits Romane in Pillenform.) Hij onderscheidt romans-in-spe of -in-de-dop van mini-romans of romans-in-notedop. Zijn hart gaat duidelijk uit naar het eerste genre, waaraan deze Raster nou net niet is gewijd. Zijn 'Kleine staalkaart' van 15 vertaalde miniatuurromans is een reeks prachtige illustraties van zijn opvattingen. Heel fraai, door de vaak letterlijke herhalingen, is 'Basta' van Robert Walser uit 1917: 'Ik kwam toen en toen ter wereld, werd daar en daar grootgebracht, ging braaf naar school, ben dat en dat en heet zo en zo en denk niet veel'. In het weigeren te denken schuilt de mop van Walser en het argument van Vogelaar. Ook hij speelt trouwens een beetje vals, door van Alexander Agafonow alleen maar de flaptekst van diens memoires te vertalen.

Omdat ze geen stelling hoeven te verdedigen klinken de 36 Nederlandse en Vlaamse romans-in-notedop meer ontspannen, luchtiger dan de voorbeelden die Vogelaar uitkoos. Alles bij elkaar vormen de romans-in-de-dop en -in-notedop heerlijk leesvoer, en hapklaar ook nog.

Opmerkelijk is dat er juist in dit eigenaardige genre buitengewoon veel mensenlichamen en -geesten desintegreren, in stukken uiteenvallen en verdwijnen. Dat kan geen toeval zijn.