'Loonmatigingscomplot' als oplossing voor werkloosheid

De internationale concurrentie heeft in Nederland vakbonden, werkgevers en overheid tot nauwe bondgenoten gemaakt. In feite is er sprake van een 'loonmatigingscomplot'. Korter werken wordt door vrijwel geen enkele werkgever meer als een bedreiging gezien. “Het is irrelevant hoeveel uren iemand werkt. Het gaat erom wat iemand in die uren produceert,” zegt een toponderhandelaar van werkgeverszijde die anoniem wil blijven. “Door over korter werken te praten helpen we de vakbeweging om met minder loon genoegen te nemen.” In Duitsland, waar hoge lonen de werkloosheid hebben opgejaagd, wordt het Nederlandse model nu uitvoerig geprezen.

Het jaar 1996 is een markant jaar voor de Nederlandse arbeidsverhoudingen. Meestal valt er bij de CAO-onderhandelingen maar één trend aan te wijzen. Ditmaal zijn dat er minimaal drie. Zo gaven de werkgevers hun verzet tegen arbeidsduurverkorting afgelopen jaar massaal op. Er was veel aandacht voor de onderkant van de arbeidsmarkt: de laagste loonschalen. En op het punt van de ouderdomsvoorziening (VUT, flexibel pensioen) werden interessante doorbraken gemaakt.

Het allesoverheersende thema is echter loonmatiging. Sinds 1994 groeit de economie met 2,5 procent per jaar. De gemiddelde winstgevendheid van bedrijven ligt in Nederland op een hoog niveau. Zeker in internationaal perspectief bezien. En de werkloosheid daalt dit jaar tot net iets boven de magische grens van een half miljoen uitkeringsjaren, om daar volgend jaar onder te duiken. Je zou dus verwachten dat het weer tijd is voor looneisen. Te meer daar de koopkracht van de burgers al jaren stagneert. Maar niks daarvan. De bonden hebben zich bij de CAO-onderhandelingen dit jaar uitermate terughoudend opgesteld. Bij het toch goed boerende Heineken werd per 1 januari 1996 een structurele loonsverhoging van 2 procent gegeven. Op 1 januari volgend jaar gaan de lonen nog eens met 1,5 procent omhoog en per 1 juli dat jaar met 1 procent. Geen vetpot.

De onderwijzers moeten het met nog minder doen. Zij krijgen per 1 augustus 1997 1 procent salarisverhoging. Op 1 augustus 1998 gaan ze er nog eens 1,5 procent op vooruit en op 1 december 1998 toucheren ze een half procentje loonsverhoging. De werknemers in de horeca moeten zich ook niet erg tevreden voelen met louter prijscompensatie (1,07 procent per 1 juli 1996). Intussen wordt het leven immers wel duurder.

Bij Philips werd dit jaar door de bonden van middelbaar en hoger personeel ogenschijnlijk wél voor meer poen gekozen. De lonen gaan in 2 jaar tijd met in totaal 6 procent omhoog: 2,5 procent per 1 juli 1996 en '97 en 0,5 procent op 1 januari 1997 en '98. Daar staat echter tegenover dat de Philips-werknemer toekomstig inkomen (pensioen) inlevert. Ook bij Unilever nemen de lonen toe, maar met 5,5 procent in twee jaar blijven ze ook daar binnen de 3-procentsgrens die de grootste vakcentrale, de FNV, voor 1996 als plafond in het loongebouw had gelegd.

De CAO-coördinator van de FNV, Lodewijk de Waal, heeft zijn ruim 1,1 miljoen leden vorige week via het ledenmagazine laten weten dat er ook in 1997 niet meer dan 3 procent loonstijging wordt bedongen. Dat is iets meer dan de voorziene prijsstijging. Matiging blijft dus troef. In feite is er in Nederland al jaren sprake van een 'loonmatigingscomplot'. Iedereen die daar inbreuk op wil maken, zoals de Amsterdamse hoogleraar economie Alfred Kleinknecht in 1994, wordt weggehoond.

Het 'loonmatigingscomplot' tussen vakbonden, werkgevers en overheid dateert al van 1982, maar is momenteel steviger verankerd in de economie dan ooit. Het complot berust op een aantal keiharde economische trends. Ook al groeit de economie en stijgen de winsten, toch wordt het aantal banen wel degelijk bedreigd. Dat bleek de afgelopen maand uit een aantal bedrijfsberichten. Het chemieconcern Akzo Nobel heeft te kampen met tegenvallende resultaten in de vezelsector en is bezig de arbeidsintensieve nabewerking van viscosedraadjes te verplaatsen naar Polen. Autoproducent Mitsubishi heeft het Nederlandse NedCar gedreigd de produktie te verplaatsen als de vestiging in Born niet produktiever wordt. En Hoogovens maakte kenbaar dat verdere afslanking “onvermijdelijk” is. De staal- en aluminiumproducent wil de produktiviteit met eenvijfde verhogen, hetgeen de komende vier tot zes jaar tweeduizend banen kost. De arbeidsbesparing doet zich niet alleen voor in de industrie. Ook in de zakelijke dienstverlening (banken, verzekeraars, grootwinkelbedrijf) wordt gestreefd naar produktiviteitsverhoging en efficiency.

Dat het totaal aantal banen in Nederland nog groeit is vooral te danken aan de internationale conjunctuur. De uitstoot als gevolg van automatisering en rationalisering van produktieprocessen wordt gecompenseerd door meer vraag naar goederen en diensten, met name vanuit het buitenland. Zodra de internationale handel hapert zullen de effecten daarvan op de Nederlandse economie desastreus zijn. Het aantal personen met een werkloosheidsuitkering (dit jaar volgens de jongste inzichten van het Centraal Planbureau 785.000) zal weer oplopen, evenals het aantal overige inactieven (850.000 uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en 70.000 als gevolg van ziekte).

Het Nederlandse bedrijfsleven is in een slopende concurrentieslag verwikkeld. Loonkosten en arbeidsproduktiviteit bepalen of de slag wordt gewonnen en het aantal banen blijft groeien. “Daarbij is het irrelevant hoeveel uren iemand werkt”, zegt een werkgeversonderhandelaar die anoniem wil blijven. “Het gaat erom wat iemand in die uren produceert.” Dat is ook de reden waarom Unilever en eerder Akzo Nobel toegegeven hebben aan de wens van de vakbonden om de arbeidsduur verder te verkorten.

Arbeidsduurverkorting op zichzelf is een irrelevant gegeven, zo hebben de werkgevers ontdekt. Want wat zegt een 36-urige werkweek in de gezondheidszorg nu als 70 procent van het personeel toch al parttime werkt? En is arbeidsduurverkorting wel zo erg als daar (bijvoorbeeld bij de supermarkten) tegenover staat dat het personeel op zaterdagochtend voortaan werkt alsof het een gewone werkdag is, dus zonder inconveniëntentoeslagen?

Bij Akzo Nobel wordt op diverse plaatsen geëxperimenteerd met een gemiddeld 36-urige werkweek. Begin volgend jaar worden de resultaten van deze experimenten geëvalueerd en wordt verder gesproken over meer permanente vormen van korter werken. Arbeidsduurverkorting fungeert hier en ook bij Unilever, in de metaal, bij de banken en in tal van andere bedrijfstakken als een bliksemafleider. “Door over korter werken te praten helpen we de vakbeweging om met minder loon genoegen te nemen”, zegt een belangrijke werkgeversonderhandelaar in de industrie. “Zo helpen wij elkaar door een moeilijke fase heen. Voor ons werkgevers is het vooral van belang dat de loonmatiging wordt volgehouden. De bonden onderkennen op bestuurlijk niveau dat belang. Om die loonmatiging naar de leden toe vol te kunnen houden gaan ze de strijd om korter werken aan.” Bonden en vakcentrales laten niet na om de onderhandelingssuccessen tegenover de leden te etaleren. “Aan het eind van dit CAO-seizoen komen we op twee miljoen werknemers die inmiddels onder contracten met 36 uur vallen of in de komende tijd gaan vallen”, zegt Lodewijk de Waal in FNV Magazine van 8 augustus. “In 61 van de 74 contracten is sprake van een kortere werkweek”, evalueert de Industriebond FNV het CAO-seizoen tegenover haar leden. Met name het Unilever-contract was volgens de bond belangrijk voor het realiseren van deze trend.

Unilever koos, net als Akzo Nobel eerder, voor de diplomatie. Voorzichtig toegeven op het punt van korter werken, om een ander veel belangrijker geacht punt overeind te kunnen houden: loonmatiging. Het heeft er veel van weg dat ook in de metaal, waar nog over een nieuwe CAO wordt onderhandeld, deze diplomatieke koers wordt gevolgd. Daar gaat het al lang niet meer om het principe van korter werken, maar vooral om de arbeidsverhoudingen, dat wil zeggen de zeggenschap. Onderhandelaar J. van den Akker van de metaalwerkgevers wil mogelijkheden creëren om op dit punt in afzonderlijke bedrijven wat te doen. Maar hij wil de vakbond bij dat proces geen formele zeggenschap geven. Daarvan gruwen veel aangesloten werkgevers namelijk. Dat de bond bij hen op de bedrijfsvloer komt uitmaken hoeveel iedereen wanneer moet werken. De werkgever wil baas in eigen huis blijven. Het 'loonmatigingscomplot' zal ertoe leiden dat ook hier de vrede zal worden getekend.

De Industriebond FNV heeft in de metaal al flink wat water bij de wijn gedaan. Zo is de 36-urige werkweek niet meer de inzet, maar wordt elke andere vorm van werkgelegenheidsbeleid ook getolereerd. De bond heeft geleerd van het verlies bij Philips. Daar werd hoog ingezet op 36-uur, maar bleef de bond uiteindelijk met lege handen achter. Vakbondsmacht om een CAO-resultaat af te dwingen heeft de bond bij Philips niet. En dus is het voor Philips als werkgever ook helemaal niet nodig om diplomatie te bedrijven. Philips dicteert de arbeidsvoorwaarden.

En omdat met name voormalig topman Jan Timmer hoog van de toren blies dat korter werken verwerpelijk is, was het voor Philips ook moeilijker om terug te krabbelen. De 36-urige werkweek werd voor de fabrikant van gloeilampen, chips en audio een prestigekwestie. De bonden van middelbaar en hoger personeel pikten het Philips-dictaat. De blauwe boorden van de FNV en het CNV pasten en weigerden hun handtekening onder de CAO te zetten. Toch zal het ook hier een kwestie van tijd zijn dat loonmatiging wordt geruild voor arbeidsduurverkorting.

In de metaal, bij Akzo Nobel en Unilever en ook bij de banken en het grootwinkelbedrijf is de positie van de bond sterker. En dus is daar de noodzaak aan werkgeverszijde om diplomatie te bedrijven, ook groter. Vanuit het gezegde “het gaat om de produktiviteit en niet om de arbeidstijd” zijn de werkgevers in deze bedrijven en sectoren gaan kijken wat de eventuele voordelen van korter werken kunnen zijn. Korter werken wordt door vrijwel geen enkele werkgever meer als louter bedreigend gezien.

En waar het wel bedreigend is proberen werkgevers de financiële effecten zoveel mogelijk naar zichzelf toe te trekken. Als werknemers per dag gemiddeld korter gaan werken, maar wel bereid zijn om zonder extra toeslagen in de avonduren en op zaterdag op te draven, dan betekent dat voor het bedrijf per saldo winst. De flexibiliteit neemt toe. De produktie kan makkelijker meeademen met de vraag naar produkten en diensten en dat komt de produktiviteit ten goede. En als afspraken over korter werken leiden tot een gematigde loonontwikkeling, dan is dat voor veel bedrijven en sectoren al reden genoeg om wat met de bonden mee te denken.

De noodzaak van loonmatiging verschilt per bedrijf. In de chemie en bij de produktie van wasmiddelen, zout en chloor spelen de loonkosten nauwelijks een rol. Loonstijging leidt in dit geval niet meteen tot verplaatsing van produktiecapaciteit naar andere, goedkopere landen. De paar procent besparing op loonkosten die dat oplevert wegen niet op tegen de enorme investeringen die gedaan moeten worden in gebouwen en machines.

In de dienstverlening, het onderwijs, de gezondheidszorg en de arbeidsintensieve produktie ligt dat totaal anders. Het hangt dan van de specifieke situatie af hoeveel banen teloor gaan door loonstijging. Soms helpt ook loonmatiging niet en gaan banen sowieso verloren.

Dat is bijvoorbeeld het geval bij de arbeidsintensieve nabewerking van kunstvezels, zoals viscose. De loonkosten in Polen liggen zoveel lager dan hier, dat de lonen meer dan gehalveerd zouden moeten worden om de produktie hier te houden. Nu valt met de vakbeweging over veel te praten, maar niet over dergelijke dramatische loondalingen. En dus heeft Akzo Nobel, dat dergelijke draadjes maakt en bewerkt, maar twee keuzen. Ofwel de nabewerking van viscose draadjes wordt gestaakt, omdat er niet te concurreren valt tegen de concurrenten in lage lonenlanden. Ofwel de nabewerking wordt verplaatst naar Polen, om zodoende marktaandeel te behouden en toch nog wat winst te maken op dit niet erg innovatieve, makkelijk te kopiëren produkt. Meer winst in Polen komt uiteindelijk ook het moederbedrijf in Nederland ten goede.

Er zijn ook situaties denkbaar waarbij de loonkosten en de mate van arbeidsintensiteit maken dat er niet zo gek veel met de lonen hoeft te gebeuren of fabrieken worden verplaatst. Zo heeft Unilever in Nederland veel fabrieken met oude produktielijnen. Er wordt met de oude apparatuur nog genoeg winst gemaakt om de fabriek open te houden. Maar de lonen hoeven niet eens zoveel te stijgen of de zaak wordt opgedoekt. In dat geval worden de oude produktielijnen door hypermoderne vervangen, die minder arbeid vergen. En vrijwel zeker zullen die niet in Nederland terecht komen. Unilever is voor de helft Brits. De loonkosten zijn aan de andere kant van het Kanaal dertig tot veertig procent lager dan hier. Engeland heeft dus sowieso een streepje voor. Maar ook vanuit Portugal, Polen of Tsjechië zijn alle Europese klanten binnen een dag beleverbaar.

Vele gradaties zijn denkbaar, maar over het algemeen geldt dat de Nederlandse produkten en diensten niet erg high tech en daarom nogal loongevoelig zijn. Het 'loonmatigingscomplot' dient in dit geval een dubbel doel. Loonmatiging zorgt ervoor dat de uitstoot van arbeid wordt vertraagd. En tegelijkertijd zorgt het ervoor dat nieuwe investeringen kunnen worden aangetrokken.

Als de besluitvormers bij grote transnationale ondernemingen 'tussen hun oren' een gunstige indruk hebben van Nederland - weinig stakingen, gematigde lonen, stabiel sociaal-economisch en politiek klimaat - zal de keus makkelijker op Nederland als vestigingsplaats vallen. Vakbonden hebben er belang bij om hieraan mee te werken. Waar een meer strijdvaardige houding toe kan leiden, dat hebben ze in Duitsland gezien. Bij de oosterburen wordt het Nederlandse 'model' nu uitvoerig geprezen. De bonden eisten en kregen daar enorme loonsverhogingen, maar zagen de werkgelegenheid wel met sprongen teruglopen.

Al deze ontwikkelingen bedreigen de werkgelegenheid. Door in te stemmen met verdere loonmatiging en daarvoor in ruil korter te gaan werken, kiezen de Nederlandse werknemers (of beter: de vakbonden namens hen) voor meer kans op werk in de toekomst. Daarbij wordt er nauwkeurig voor gewaakt dat de loonverschillen tussen sectoren niet te groot zijn. Dat zou immers het gevaar oproepen van 'haasje-over', waarbij de sector met de grootste loonstijging de maatstaf wordt voor de rest.

De werkgevers zouden graag een wat meer gedifferentieerde loonontwikkeling zien, maar kiezen uit angst voor hetzelfde 'haasje-over-effect' toch maar voor de veilige algemene loonmatiging. In ruil voor matigingsbereidheid bij de bonden geven de werkgevers op één punt - korter werken - wat toe. Op andere terreinen (VUT, pensioen, loontoeslagen) pakken ze echter vaak weer een veelvoud terug. De politici tenslotte kijken tevreden toe. Hoe minder de lonen stijgen hoe minder zij kwijt zijn aan uitkeringen en ambtenarensalarissen. Het Nederlandse model, dat in het buitenland furore maakt, is zodoende gebaseerd op één notie: gematigde lonen. “Veel meer dan koopkrachtbehoud zit er de komende jaren niet in”, zegt een werkgever. Verzet tegen het 'complot' is er niet. Alfred Kleinknecht, de Amsterdamse hoogleraar die een loongolfje goed achtte voor de economie, is door alle betrokkenen levend begraven. En ook de grootwinkelbedrijven en de detailhandel, die belang hebben bij meer koopkracht, zwijgen als het graf.