Lofzang op het bedrog; Het verbale geweld van cineast Sacha Guitry

De boulevard-komedies die Sacha Guitry sinds de jaren tien schreef, verfilmde hij meestal zelf, met zichzelf in de hoofdrol. “Alle maniakale verleidingskunsten zijn geoorloofd als overlevingsstrategie voor het individu. Het is deze filosofie die zijn films redt van de kluchtigheid.” Na decennia van verguizing valt Guitry een postume come-back ten deel: veel van zijn films worden nu op video uitgebracht.

Veel films van Sacha Guitry zijn op video verkrijgbaar, bij Canal+ Vidéo (oa. Mon père avait raison, Le roman d'un tricheur, faisons un rêve, Le Comédien, Le diable boiteux) en bij René Chateau Vidéo (oa. Le destin fabuleux de Désirée Clary).

Slaap nooit met een maîtresse van je vader. Dat is de duidelijkste les uit het leven van de Franse acteur-schrijver-regisseur-cineast Sacha Guitry (1885-1957). Bezoek in tijden van Duitse bezetting niet te vaak de Duitse Kommandatur in Parijs, zou een andere kunnen zijn. Of: bederf aan het einde van je leven niet je roem door het maken van stomvervelende films, zodat je passé en met bijpassende verbittering het graf ingaat.

Maar die laatste lessen zijn minder uniek dan de eerste. In 1903 werd de actrice Charlotte Lyrès door Lucien Guitry, gevierd tragisch acteur en leider van het Théâtre de la Renaissance in Parijs, verleid in zijn kleedkamer. Lucien had Lyrès, zoals zijn gewoonte was bij vrouwelijke nieuwkomelingen van het gezelschap, daar uitgenodigd 'om het contract te tekenen'. Kort daarna sliep de 18-jarige Sacha, Luciens zoon die in het gezelschap bijrollen vertolkte, eveneens met haar. Lucien zond zijn zoon eerst maandenlang naar het buitenland om hem tot betere gedachten te brengen. Maar het mocht niet baten: twee jaar later trad Guitry jr. zelfs met de zes jaar oudere actrice in het huwelijk. Dat leidde tot een smartelijke, dertien jaar durende verwijdering tussen zoon Sacha en vader Lucien, ofschoon eerstgenoemde zijn vader boven alles en iedereen bewonderde.

Die bewondering is een belangrijk element in het werk van Sacha Guitry, dat zich de laatste jaren mag verheugen in een groeiende belangstelling, zoniet herontdekking. Luciens tragische verrichtingen op de planken zijn, net als die van Sarah Bernhardt van wie Lucien de mannelijke evenknie geacht werd, grotendeels vervlogen: er bestaat geen film- of geluidsopname van deze acteur.

Sacha Guitry daarentegen was - naast acteur in en schrijver van honderden komedies in het boulevard-genre - ook acteur in en later regisseur van tientallen films. En juist de filmer Sacha Guitry blijkt - na decennia van verguizing - thans aan een postume come-back bezig. Veel van zijn films zijn gerestaureerd en op video uitgebracht. Er zijn remakes: Désiré van Bernard Murat met Fanny Ardant en Jean-Paul Belmondo bijvoorbeeld, en een hele serie in opdracht van de televisiezender Canal+. Onder regie van Edoardo Molinaro is eerder dit jaar een ongepubliceerd script van Guitry jr. tot film geworden: Beaumarchais l'insolent. De hoofdrol wordt gespeeld door Fabrice Luchini, ijdelste aller ijdele acteurs in het hedendaagse Frankrijk.

Maar in elke remake wordt Sacha Guitry echter deerlijk gemist: aan diens ijdelheid kon en kan niemand tippen. In de meeste films zien we hem als een enigszins gezette, kalende man, met trage bewegingen, die zich kleedt als een fat. Sacha's grote kracht ligt in het verbale - de onverwachte wending van een zin, de paradox, de leugen. Ondanks de gedateerde context van de meeste films - veelal huiskamertaferelen in de betere kringen of de theaterwereld van de jaren dertig - maakt de acteur Sacha Guitry door de zuinigheid aan gebaren en gebrek aan pathos een moderne indruk.

Zijn speelstijl moet radicaal anders geweest zijn dan die van zijn vader. De monstres sacrés van het Franse theater aan het begin van de eeuw schuwden het brede gebaar en hysterisch effect geenszins, weten we bijvoorbeeld uit de enkele nagelaten film- en geluidsfragmenten van Sarah Bernhardt. In die fragmenten valt ze onophoudelijk in katzwijm of loeit haar verdriet uit, op een wijze die nu nog slechts tot grote vrolijkheid stemt.

Het is opvallend dat Sacha Guitry, de vele malen dat hij in films zelf de rol van zijn vader Lucien speelt, nimmer laat zien hoe deze op de planken te werk ging. Steeds zien we de gevierde tragicus in de kleedkamer en tussen de coulissen, waar zijn gedrag - oh, wonder - perfect lijkt aan te sluiten bij de tongue-in-cheek-stijl van zijn zoon. Of moeten we in de weigering van Sacha om zijn vader behalve als personage ook als acteur te laten zien, misschien toch een subtiele wraak van Guitry jr. zien?

De verhouding tussen vader en zoon was direct stormachtig. Amper vier jaar oud werd Sacha door zijn vader naar de Russische hoofdstad Sint Petersburg ontvoerd, waar Lucien Guitry enkele seizoenen lang 's winters onder contract stond bij het Théâtre français aan de Njevski-prospekt.

Waarom Lucien zijn zoontje onttrok aan het gezag van zijn moeder, de mislukte actrice Renée Delmas is onduidelijk. Misschien uit behoefte van het leven zelf ook een toneelspel te maken: Lucien liet van al zijn toneelkostuums een kopie in het klein voor Sacha vervaardigen, waarmee deze op soireés veel vertedering teweeg bracht.

Tsaar Aleksandr III, het Frans niet machtig, bestelde bij Lucien Guitry een pantomime. Het werd de geschiedenis van een Pierrot die vergeefs probeert zijn kunst aan zijn zoon over te brengen. Sacha, nog geen vijf, trad zo voor het eerst aan de zijde van zijn vader op. Na afloop mocht de kleine ook aan het souper aanzitten, aan de rechterhand van zijn naamgenoot de tsaar. Even dreigde nog een incident, toen de kleine bij het nuttigen van de kaas een groot stuk gruyère van tafel liet vallen. Maar gelukkig moest de tsaar daar erg om lachen - de bevrijdende lach, schreef Sacha Guitry later, van de machtige.

Na één winter in Sint Petersburg stuurde Lucien zijn zoon terug naar moeder in Frankrijk, die hem prompt op een internaat deed - zij had het te druk met haar werk bij rondreizende toneelgezelschappen. Vervolgens gebeurde, waar kennelijk niemand op gerekend had: de jongen, wegens ongezeggelijkheid voortdurend van internaten en scholen getrapt, ontwikkelde zich tot acteur. Dat was toen in zekere zin eenvoudiger dan nu: formele acteursopleidingen bestonden niet, maar in deze pre-televisiedagen wemelde Frankrijk van de min of meer professionele toneelgezelschappen. Op zeventienjarige leeftijd, in 1902, klopte de jonge acteur Sacha Guitry aan bij zijn inmiddels definitief naar Frankrijk teruggekeerde vader.

Bijrollen

Ingenomen leek Lucien niet met de komst van Sacha, die door hem twaalf jaar tevoren in de pantomime voor de tsaar immers zo zorgvuldig in de rol van talentloze leerling was gecast. Desondanks gaf hij zijn zoon kleine bijrollen in het door hem geleide gezelschap, waarbij hij overigens verlangde dat Sacha onder de artiestennaam Lorcey optrad. Vader achtte deze welwillendheid slecht beloond, toen bleek dat Sacha had geslapen met Charlotte Lyrès.

Het wachten was op een aanleiding voor een officiële breuk tussen vader en zoon. Die kwam een paar maanden later: op de gang bij de artiestenloge hing een mededeling van de directeur dat de acteur Lorcey tot honderd frank boete veroordeeld was, omdat hij op een avond vergeten was een bij zijn rol behorende pruik op te zetten.

Sacha Guitry beleefde meer dan alleen erotisch genoegen aan Charlotte Lyrès. De ambitieuze jongedame beschikte over invloedrijke contacten, onder wie bijvoorbeeld Léon Blum, de latere premier van Frankrijk, en in zijn jonge jaren een belangrijk theatercriticus. Onder zijn eigen naam ontwikkelde Sacha Guitry zich tot een populair acteur, maar in een volledig ander genre dan zijn in tragedie gespecialiseerde vader. Sacha Guitry werd een blijspelacteur, die steeds vaker zijn eigen stukken schreef.

Zo ook in 1918 Deburau, een stuk over een beroemde pantomimespeler die vergeefs probeert zijn ongetalenteerde zoon het métier bij te brengen - gebaseerd op dezelfde materie dus als het stuk dat Lucien voor de tsaar had gemaakt. Vader stemde erin toe in Deburau met zoon Sacha op de planken te staan. Zoonlief was inmiddels gescheiden van Charlotte Lyrès, die hem met de jaren steeds vaker was gaan bedriegen.

Zeven jaren stonden vader en zoon Guitry samen op de bühne, veelal in door Sacha geschreven stukken. Het grootste succes was Pasteur, een vie romancée van de grote Franse geleerde. Toen Lucien in 1925 overleed, was Sacha veertig jaar oud. Voortaan moest hij het definitief alleen klaren. Zijn vader zou echter een belangrijke inspiratiebron blijven. Maar bij alle ostentatieve verering voor Lucien Guitry in de films van zijn zoon werd nimmer meer een woord vuilgemaakt aan het incident Lyrès.

Sacha's toneelroem steeg tot grote hoogten: niet alleen stond hij in de jaren dertig voortdurend ergens in Parijs op de planken in een van zijn eigen stukken, ook andere gezelschappen namen graag een stuk van Guitry op het repertoir. Toen in 1934 in de Franse hoofdstad meer dan tien Guitry's tegelijk werden opgevoerd, spraken de Parijse theaterdirecteuren onderling af om een dergelijke moordende concurrentie in de toekomst te voorkomen. De auteur Guitry was daar zeer verbolgen over en sprak in kranteninterviews over poging tot broodroof.

Bedrieger

Sacha Guitry's eerste film dateert uit 1915. Ceux de chez nous, een reeks sketches over groten uit de Franse geschiedenis, is slechts gedeeltelijk bewaard en grotendeels vergeten. De zwijgende filmkunst was geen voor de hand liggend medium voor Sacha Guitry, wiens boulevard-stukken, zoals gebruikelijk in het genre, buitengewoon woordrijk zijn, vol bons mots en snijdende aperçus.

In 1929 deed het geluid zijn intrede in de Franse filmindustrie. Het Franse boulevardtheater wordt geplunderd voor acteurs en scenario's. In 1935 gaat Guitry, die aanvankelijk het medium film als 'ingeblikt theater' placht te omschrijven, zelf als regisseur optreden, te beginnen met de filmversie van Pasteur. Woordrijk als zij zijn, werden de films van Guitry uit de jaren dertig later vaak als 'verfilmd toneel' veroordeeld. Ze kennen veel tekst en weinig camera-instellingen. Maar daar staat veel tegenover.

Neem Faisons un rêve (Laat ons dromen), een van de meest toneelmatige films, uit 1935. Guitry speelt hierin een man die de vrouw van zijn beste vriend verleidt. Hoogtepunt is een eindeloos durende monoloog van Guitry aan de telefoon. De vrouw aarzelt naar het eerder afgesproken rendez-vous te komen, en Guitry praat op haar in op een manier die haar geen enkele andere psychische uitweg biedt dan een herdersuurtje. Nog minutenlang is hij bezig aan de telefoon om de vrouw te overtuigen, ook als zij al hoog en breed achter hem in de kamer staat. Heeft hij dat eenmaal in de gaten, dan gaat de monoloog zonder enige overgang zonder telefoon verder - een volstrekt verbaal, manisch libertinisme. Met dezelfde verbetenheid praat de verleider zich de volgende ochtend de vrouw weer zijn huis uit.

Minder toneelmatig is Le roman d'un tricheur uit 1936. Dat hangt vermoedelijk samen met het gegeven dat Guitry hier bij wijze van uitzondering niet een van zijn eigen toneelstukken, maar zijn enige roman, Mémoires d'un tricheur, heeft verfilmd. Vele jaren voor Citizen Kane van Orson Welles, die het procédé beroemd zou maken, past Guitry het principe van de playback toe: de bedrieger uit de titel, een beroepsspeler die voortdurend van identiteit wisselend van casino naar casino trekt, vertelt zijn levensgeschiedenis, waarbij de mondbewegingen van de personages op het doek soms samenvallen met zinnen uit het verhaal.

Le roman d'un tricheur is een lofzang op het bedrog: het individu weet zich uit elke situatie te redden en overleeft, slechts trouw aan zichzelf. Voor weekhartigheid is geen plaats. Als kind werd de bedrieger wegens stoutigheid eens van tafel gestuurd, zodat hij een maaltje paddestoelen misliep waaraan de overige elf gezinsleden overleden. 'Men kan huilen om zijn moeder, om zijn vader, om zijn broer, als een van hen overlijdt. Maar hoe had u gewild dat ik huilde om elf mensen tegelijk?'

De boutade lijkt een sleutel tot Guitry's werk. Al die maniakale monologen en verleidingskunsten, al die schijnbare amoraliteit zijn geoorloofd als overlevingsstrategie voor het individu. Het is deze onderliggende filosofie die Guitry's films bijna steeds redt van de kluchtigheid. Eerder schuilt er iets agressiefs in al die intriges en verbale hoogstandjes, waarbij vooral de vrouwelijke personages het moeten ontgelden.

Moeder

Vrouwen zijn er om te verleiden, maar daarna moeten alle zeilen worden bijgezet om te verhinderen dat zij schade aanrichten. In 1935 stelt Guitry in Mon père avait raison (Mijn vader had gelijk) de verraderlijkheid van het vrouwelijk geslacht aan de orde. In de film gaat het er bijvoorbeeld om dat de vader zijn zoon beschermt tegen de confrontatie met diens moeder. Vele jaren nadat zij huis en haard in de steek heeft gelaten voor een minnaar, komt ze haar plaats in het gezin weer innemen. 'Daar lijden we nu voor', zegt de vader na een confrontatie met zijn ex-vrouw, die het bestaat haar huwelijksbedrog van zo veel jaren geleden als een teken van liefde voor haar ex-man te presenteren. Ook stelt de vader vast, na de opmerking van zijn zoon dat een bepaalde vrouw ouder is geworden: 'Vrouwen zijn niet ouder - ze zijn of jong, of oud. Als ze jong zijn bedriegen ze ons, als ze oud zijn willen ze niet door ons worden bedrogen''.

Toch is Mon père avait raison niet zonder meer een pleidooi voor misogynie. Weliswaar hervindt een man pas zijn levensvreugde nadat hij zich van de vrouw die zijn leven domineert heeft ontdaan, maar zonder liefde voor vrouwen gaat het ook weer niet. Wanneer de vader zich met schrik heeft gerealiseerd dat zijn zoon de vaderlijke opvattingen over vrouwen wat al te zeer ter harte heeft genomen spant vader samen met een maîtresse van de zoon, om hem in het huwelijksbootje te lokken. De uiteindelijke bevrijding van de vrouwelijke tirannie, is de moraal, heeft pas zin als die tirannie eerst ervaren is in een periode van jeugdige onbezonnenheid.

Het vermogen om zich uit elke situatie te praten, iedereen te slim af te zijn, uit te stijgen boven de geldende moraal zou Sacha Guitry tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk goed van pas komen en zijn reputatie grondig bederven. Politiek was hij een onbenul, daar is iedereen het over eens, al moeten we hier misschien spreken van iemand die zijn onbenulligheid zorgvuldig cultiveerde.

Hermann Goering

Tijdens de bezetting liep Guitry de deur plat bij de Duitse Kommandatur, mede om de opvoering van zijn toneelstukken veilig te stellen, en liet hij zich uitgebreid fêteren op gelegenheden waarbij Duitse officieren aanwezig waren. Hij werd zelfs onverwachts eens van huis opgehaald om Hermann Goering te ontmoeten, die hem begroette met de woorden 'Och, och, grosse Vedette!'.

Veel kwaad bloed zette in 1943 de verschijning van Guitry's boek 'De Jeanne d'Arc à Pétain' in 1943, waarvan de opbrengsten ten goede kwamen aan de Secours national, een Franse versie van Winterhulp. Het boek was echter, anders dan de titel deed vermoeden, geen politiek traktaat maar een galerij portretten van groten uit de Franse geschiedenis, onder redactie van Guitry geschreven door verschillende auteurs onder wie Paul Valéry, Colette en Jean Cocteau.

In 1943 ook praatte Guitry de toneelschrijver Tristan Bernard op de Kommandatur uit de handen van Gestapo, en behoedde Bernard en zijn vrouw voor een wisse deportatie naar Duitse vernietigingskampen.

Met enig recht kon Guitry derhalve na de bezetting volhouden, dat hij zijn contacten met Duitse hoogwaardigheidsbekleders voor goede doelen had aangewend. Daartoe behoorde zeker ook de mogelijkheid voor Sacha Guitry om films te blijven maken. In 1942 ontstond Le destin fabuleux de Désirée Clary, het verhaal van de dochter van een koopman uit Marseille die het liefje was van de jonge Napoleon Bonaparte, totdat deze toekomstige keizer van Frankrijk de voorkeur gaf aan Joséphine de Béharnais. De film lijkt op het eerste gezicht patriottisch, totdat men begrijpt dat ook hier het gewetenloos opportunisme tot hoogste norm wordt verheven, zij het nu in een historische contekst en niet langer tussen de muren van een boudoir.

Als zeventigjarige, in augustus 1944, wordt Sacha Guitry in het bevrijde Parijs op verdenking van collaboratie gearresteerd en zestig dagen vastgehouden. De aanklachten tegen zijn persoon worden de een na de ander geseponeerd, maar het duurt tot 1947 voordat hij het beroep van acteur en regisseur weer mag uitoefenen. Ter zelfverdediging schrijft hij twee boeken: Soixante jours de prison, een onmatig boek waaruit men de indruk zou kunnen krijgen dat alle misdaden van de bezetter in het niet vallen bij het onrecht Guitry na de bevrijding aangedaan. Het andere heet Quatre ans d'occupations - een weinig fijnzinnig woordgrapje: Occupation is in het Frans bezetting, maar occupations zijn bezigheden.

Guitry's eerste naoorlogse film is ook een apologie. Le diable boiteux (De manke koning), gaat over het individu dat door zijn slimheid en tactisch inzicht overleeft onder elk denkbaar regime. Sacha Guitry speelt de hoofdrol van Talleyrand, die onder het ancien régime voor de Franse revolutie al het buitenlands beleid bepaalt en dat door alle regimes heen tot ver in de negentiende eeuw blijft doen. Er volgen nog talrijke historische films, waaronder de ook in Nederland bekende film Si Versailles m'était conté. En de stomvervelende, drie uur durende monsterproduktie Napoléon uit 1954, waarvan de enige verdienste is dat Orson Welles er de rol van Benjamin Franklin in speelt.

Omdat Guitry zich als regisseur niet langer concentreert op woordrijk kamerdrama, stijgt zijn ster in het buitenland. In Frankrijk doet zich het omgekeerde voor, en niet alleen omdat de flitsende woordkunstenaar Guitry zich hoe langer hoe meer ontpopt als een sarcastische oude zeur. In het cultureel bewustzijn in Frankrijk vindt een splitsing plaats tussen de establishment-kunst van de Rive droite en het min of meer linkse avant-gardisme dat als typisch voor de Rive gauche (van de Seine in Parijs) geldt.

Die tweedeling bestond voor de oorlog niet: boulevard-toneel werd voor 1944 niet à priori verketterd als rechts of behoudend. Na de oorlog geldt Guitry echter als hopeloos Rive droite en slechts weinig van de naoorlogse culturele smaakmakers durven de grens te overschrijden. Een uitzondering is François Truffaut, de latere regisseur en aanvankelijk vooral filmcriticus van de Nouvelle Vague, die Le roman d'un tricheur als een voorloper van het moderne filmen aanmerkte, vooral wegens de toegepaste vertelmethode.

Sacha Guitry werd aan het eind van zijn leven een verbitterd man - kennelijk was het wendbare individu toch ingehaald door de omstandigheden. In 1957 stierf hij na een langdurig ziekbed, en na de dood een handje geholpen te hebben, in aanwezigheid van zijn laatste echtgenote, de actrice Lana Marconi. Zijn laatste woorden waren: 'Kijk maar de andere kant uit, mijn liefje, want dit is geen toneelstuk'.