Ik ben u; Schrijver Paul Claes over twee- en drieëenheid

In de boeken van de Vlaamse schrijver Paul Claes wemelt het van de citaten en verwijzingen, want hij is doordrongen van de noodzaak tot hergebruik van literaire teksten, “In het Nieuwe Testament staat bijna niets dat niet in het Oude Testament staat. Als je het nieuwe naast het oude zou leggen en je schrapte alles wat niet origineel was, dan hield je vrijwel niets over.” Onlangs verscheen zijn roman 'De Zoon van de Panter', een reconstructie van een verloren gegaan evangelie.

Paul Claes: De Zoon van de Panter. Uitg. De Bezige Bij, 119 blz. Prijs ƒ 24,90.

Kunnen wij ooit iets nieuws zeggen? Is elk van onze woorden allang gebruikt, zijn alle boeken al geschreven, alle zinnen al gezegd? Hoe meer iemand gelezen heeft, hoe duidelijker hij ziet dat elke tekst wemelt van andere teksten, dat elke schrijver op de schouders van zijn voorgangers staat. 'Wij schrijven boeken nadat wij boeken gelezen hebben nietwaar' zei Hugo Claus eens - en zo is het. Wij herhalen en vervormen elkaars woorden, allemaal, we bedden onze nieuwe woorden in veel oude in, we verdraaien het oude om het nieuwe zin te geven en leren ervan, of zoals Paul Claes schrijft: 'De nieuwe Wijsheid vervangt de oude niet, maar herschrijft haar'.

De Vlaamse vertaler, schrijver en essayist Paul Claes (1943), die onlangs voor zijn vertaling van James Joyce's Ulysses met de Nijhoff Prijs bekroond werd, is bij uitstek doordrongen van dit hergebruik, van hoe teksten geweven worden uit lapjes en draadjes oude tekst. Hij wijdde een studie aan de oudheid in het werk van Hugo Claus, en een studie aan 'de kunst van de allusie', Echo's echo's geheten, naar de nimf Echo die alleen nog maar de woorden van anderen kon weergalmen. In die laatste studie laat hij zien hoe ook in de oudheid de woorden van anderen al steeds herhaald werden, wat bijdroeg aan het plezier van de lezers die de woorden in de oude context kenden. De nieuwe context krijgt daardoor een andere of een ruimere betekenis, want de oude klinkt mee. Het citeren, het zinspelen op oudere literatuur, het in vermomming opvoeren van beelden en personages die al bekend zijn - dat is de literatuur en zelfs, bij uitbreiding, de hele cultuur. Die bestaat bij gratie van de herhaling. Dit hele verschijnsel wordt 'intertekstualiteit' genoemd.

Paul Claes is de vleesgeworden intertekstualiteit. Hij schrijft gedichten en romans die wemelen van de citaten en de allusies, en hij is als geen ander in staat om andermans hergebruik te herkennen. Zo kan hij tevreden vaststellen: “Het Nieuwe Testament is het intertekstuele boek bij uitstek. Er staat bijna niets in dat niet ook al in het Oude Testament staat. Als je het nieuwe naast het oude zou leggen, en je zou alles schrappen wat niet origineel was, zou je vrijwel niets overhouden. De wonderen zijn naar analogie van de mirakels die al in het Oude Testament beschreven worden, de oude profeten wekten ook al mensen op uit de doden. Zelfs de laatste woorden van Christus aan het kruis ('Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten') komen gewoon uit een psalm. Zelfs aan het kruis werd hem door de evangelist nog geen originele gedachte in de mond gelegd.”

Voor ons op tafel ligt Claes' laatste boek, De Zoon van de Panter. Die Zoon is Jezus, die aan het eind van het boek geïdentificeerd wordt als het onechte kind van ene Mirjam of Maria en een Syrische huursoldaat in het Romeinse leger met de naam Panthera. Een verzinsel? Claes grinnikt. Nee, ook dit is weer niet origineel. In de oude joodse bronnen werd vaak aan Jezus gerefereerd als aan 'Ben Panthera', de tweede-eeuwse filosoof Celsus heeft daaraan in zijn studie Het ware woord gerefereerd. Die studie is verloren gegaan, maar hij is tegelijkertijd bijna geheel bewaard gebleven dankzij een ander boek, een verdediging van het christendom door Origines. Contra Celsum heet die verdediging en de aanval van Celsus wordt er vrijwel geheel in geciteerd. Leve de herhaling.

Claes: “Celsus gelooft niets van het christendom, hij vindt het primitief en dwaas. Hij kent natuurlijk ook de Griekse mythologie met al haar vreemde geboortes, waaronder ook wel maagdelijke. Hij wuift dat weg: 'dat geloven wij filosofen allang niet meer, maar als jullie dat zo nodig willen dan ga je je gang maar, ìk ken joodse bronnen die over Panthera spreken als de vader van die Jezus van jullie'.

“Ik heb mij gek gezocht naar die Panthera en ik ontdekte dat een protestantse theoloog al in het begin van deze eeuw dezelfde nazoekingen had gedaan. Hij is op een Panthera gestuit die omstreeks het begin van de jaartelling in Galilea is geweest, in een stad die maar zes kilometer ten noorden van Nazareth lag, waar Maria woonde. Het klopt allemaal erg mooi. Tè mooi zou je bijna zeggen. En dan het toeval dat zo'n man ook nog een grafsteen heeft.”

Claes loopt naar een kast en haalt een foto tevoorschijn. Er staat een Romeinse grafsteen op afgebeeld, de grafsteen van Tiberius Julius Abdes Pantera. De vader van de Verlosser? Het is maar een van de vele vragen die zijn boek oproept - een van de eenvoudigste eigenlijk.

Papyrusrollen

De Zoon van de Panter is een reconstructie van het verloren gegane apocriefe 'Evangelie van de Twaalf', een van de vele evangeliën die in de eerste eeuwen na het optreden van Jezus ontstonden. Vier van die evangeliën zijn door de kerk gecanoniseerd en opgenomen in het Nieuwe Testament, dat van Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. Van sommige van de andere evangeliën is de tekst, of een groot gedeelte daarvan, op papyrusrollen of in oude codices bewaard gebleven, zoals van het Proto-evangelie van Jakob en van het evangelie van Thomas. Van andere bestaat niet meer dan een referentie aan de titel, of een tekstflard van een paar woorden. Het 'Evangelie van de Twaalf' is zo'n titel zonder tekst erachter. Al eerder schreef Claes een roman, De sater, die de 'reconstructie' was van een Latijns origineel waarvan niet meer dan één woord over was. In die reconstructie verwerkte hij ontzaglijk veel andere literatuur. Het verloren Evangelie van de Twaalf was een aantrekkelijk gat om zich door Claes te laten vullen met zijn eigen vragen en met andermans tekst.

Hij gaf elk van de twaalf discipelen een eigen hoofdstuk, waarin elk van hen een eigen kijk op (een kant van) Jezus geeft, en voegde een proloog toe die in de mond wordt gelegd van een kluizenaar in de woestijn die een afschrift van het Evangelie van de Twaalf in een grot begraaft, en een epiloog waarin een historicus de hierboven beschreven oorsprong van de naam 'Panthera' uitzoekt.

Hoe is Claes te werk gegaan bij zijn apocriefe reconstructie?

“Ik heb waar het maar even kon de evangelie-tekst aangehouden, maar sommige discipelen zijn in de evangeliën niet meer dan een naam. Dat hele getal twaalf is natuurlijk willekeurig, dat is alleen maar gekozen omdat het zo'n mooi getal is en omdat er twaalf stammen van Israel zijn. Ik heb van iedere apostel opgeschreven wat er van hem werd gezegd, en daar ben ik van uitgegaan. Van Nathaniël (ook wel Bartholomeus) bijvoorbeeld, wordt niet veel meer gezegd dan dat hij een oud-volgeling van Johannes de Doper was, dat hij na diens dood onder een vijgenboom zat en toen Jezus ging volgen. Dat is dus een typische leerling, daarom heb ik hem het hoofdstuk gegeven met meester-leerling verhalen. Bij Simon de Zeloot ben ik helemaal afgegaan op het woord 'zeloot', 'ijveraar': een politieke figuur. Alle zeloten kwamen uit Galilea, sommigen zeggen ook dat Christus de aanvoerder was van opstandigen die de Romeinen wilden verdrijven. De teksten die dat kunnen illustreren zitten dus in Simons hoofdstuk.”

Geheime woorden

Behalve van de bijbelse evangeliën maakte Claes voor zijn boek, zijn portret van Christus in veertien stukken, ook van apocriefen gebruik. Het hoofdstuk van Thomas, 'Het geheim', bevat uitsluitend tekst uit het Evangelie van Thomas, dat behoorde tot een in 1945 bij het Egyptische Nag Hammadi gevonden gnostische bibliotheek. Dat evangelie is geen lijdensverhaal, maar een verzameling uitspraken van Jezus. De door Thomas geciteerde uitspraken komen gedeeltelijk ook in de bijbel voor, maar de tekst als geheel heeft een duidelijk gnostisch karakter. Claes heeft een aantal citaten gekozen en in een nieuwe volgorde gezet en bovendien 'de meest geheime woorden' van Jezus, die in Thomas' tekst dan ook geheim blijven, verklapt: 'Maar zijn drie geheimste woorden waren: ik ben u.' Waarom?

“Ik denk dat er vaak niet gezien wordt wat de gnosis wil: ontkenning van alle dualismen. Als je dat wilt dan moet je ook de tegenstelling tussen ik en jij opheffen, dus: ik ben jij. Elk van de discipelen projecteert zijn eigen verwachtingen op Christus, elk verhaal over Christus is ook een zelfportret, daar kun je niet aan ontsnappen. Dit gaat over het mystieke verlangen tot eenwording met God - overigens een gevaarlijke houding. Wie zich verbeeldt dat hij samenvalt met God die weet ook precies wat God wil, want die ís God als het ware. Dus die kan bijvoorbeeld zeker weten dat God heeft gezegd dat sommige mensen uitgeroeid moeten worden. Maar ook die onwereldse mystische eenwording, die afziet van al het aardse, is erg onguur - buiten de mystieke eenheid bestaat er niets meer, iedereen kan stikken. Tegelijkertijd is het misschien wel het meest oorspronkelijke verlangen van de mens, dat ik en jij samenvallen.”

In Nag Hammadi stond een Christelijk klooster en de teksten die er gevonden zijn waren in het bezit van monniken. De kluizenaar die in het begin van Claes' boek zogenaamd het 'Evangelie van de Twaalf' begraaft, stelt Claes zich voor als zo'n monnik: christelijk maar tegelijkertijd een gnosticus.

“De gnostici hadden een antwoord gevonden op een van de grootste problemen van het christendom: de menswording van God. Dat zou in elke andere godsdienst heiligschennis zijn om te beweren. Daarom kan Jezus ook nooit in letterlijke zin gezegd hebben: 'ik ben de zoon van God', hij zou ter plekke gestenigd zijn. Hoe zou de almachtige God een onmachtig mens kunnen worden? De oplossing daarvoor is dat hij alles kan en alles is: het goede en het kwade, het menselijke en het goddelijke, het volmaakte en het onvolmaakte. Dan wordt alles ook onverschillig, wat maakt het dan nog uit. De kerk heeft zich altijd ten stelligste tegen dat pantheïsme verzet. Het officiële antwoord op het probleem van de menswording is de Drieëenheid, een moeilijke en ingewikkelde constructie.”

Ethiopische kerken

In de vroegste tijd van het christendom konden vele opvattingen en teksten nog naast elkaar bestaan zonder dat iemand zich daarom bekommerde. Volgens Claes heeft die on-strenge tijd in zekere zin tot aan Luther geduurd. Het waren de protestanten die zich op het nauwkeurig lezen van bijbelteksten stortten en daarmee de katholieke kerk in het defensief joegen, waardoor die strenger werd. Maar in sommige kerken, de Grieks-orthodoxe, Syrische en Ethiopische kerken, maakt men nog altijd gebruik van andere lijsten met heilige boeken: in de orthodoxe kerk wordt het volgens de Westerse kerk apocriefe proto-evangelie van Jakob elke kerstmis voorgelezen. Daarin wordt de voorgeschiedenis van Maria verteld, over haar ouders, haar intrede in de tempel, hoe ze bij Jozef terechtkwam, over haar bezoek aan haar nicht Elisabeth, de moeder van Johannes de Doper.

Claes: “Veel van de voorstellingen en de schilderijen in kerken kun je helemaal niet begrijpen zonder de apocriefe teksten. In de Middeleeuwen waren ze nog niet zo streng, die verhalen werden gewoon verteld. Katholieken zijn nog altijd niet zo tekstgericht, dat is meer een godsdienst van beelden. Ik ben katholiek opgevoed en mij werd vroeger gezegd: 'Je mag de bijbel niet lezen'. Alleen bepaalde geselecteerde stukken werden in de kerk voorgelezen en die werden dan meteen uitgelegd. Gelovigen hadden vaak zo'n houding van: 'Weet ik hoe het zit, meneer pastoor zal het wel weten'. Protestanten worden verondersteld zelf kritisch genoeg te zijn om de bijbel te kunnen lezen. Wat ik eigenlijk niet begrijp, want hoe zouden ze dat moeten kunnen? Hij staat vol tegenstellingen. Het is bijvoorbeeld heel merkwaardig dat wij vier auteurs hebben van een heilig boek. De Koran heeft gewoon één tekst.”

Na lang studeren is Claes er, net als veel theologen en bijbelhistorici, van overtuigd dat de bijbelteksten nauwelijks historische waarde bezitten. Niet alleen kloppen veel feiten niet, of is er geen enkele aanwijzing te vinden die ze bevestigt of aannemelijk maakt, de teksten zijn volgens Claes bovendien niet met een historisch oogmerk geschreven.

“De eerste christelijke gemeenten hadden teksten nodig die hun eigen handelwijze rechtvaardigden en van een traditie voorzagen. Je moet die teksten beslist niet historisch lezen, je mág ze zelfs niet historisch lezen. Het zijn mythen. De mythe is de projectie van onze diepste wensen: het verlangen naar onsterfelijkheid, of dat er iemand zou zijn die alles wist en die je beschermde - al die dingen zijn diep waar, het heeft geen zin dat te ontkennen. Je moet alleen niet geloven dat die wensen vervuld zijn, maar de wensen zelf mogen niet weggerationaliseerd worden.

“Paulus heeft gezegd: Christus is echt opgestaan. Daarmee heeft het christendom naar mijn gevoel zijn eigen graf gegraven, want dan gaan de mensen àlles historisch lezen. Dat is op den duur niet vol te houden. Ik geef toe dat het lang geduurd heeft voordat men aan onderzoek begon en merkte hoeveel er niet klopt. Misschien omdat de katholieke kerk, in tegenstelling tot de protestantse die zich wel echt op de tekst richt, een kerk is die vooral met symbolen, beelden, mythen werkt.”

Ark van Noach

In Echo's echo's schrijft Claes: “De mythe is het woord van de oorsprong.” En de dichteres Christine D'haen, wier bundels Paul Claes menigmaal van aantekeningen voorzag, schreef het onlangs zo: “Alle mythologieën en alle religies zijn waar (al is de ene beter dan de andere). Het zijn gedachten en beelden: zo stelt de mens zich voor dat de antwoorden op zijn vragen zouden kunnen zijn. Als de Beelden verdwijnen, verdwijnen alle rijke zielsinhouden waaruit wij leven.” Naar de materiële sporen of de aantoonbare waarheid van gedachten en beelden hoeft niemand op zoek. Zo is het ook onzin om de ark van Noach te willen vinden, al is het verhaal dat daar brokstukken van zijn teruggevonden lang geloofd. Mythen worden steeds in allerlei vormen en gedaanten herhaald. Ook opstandingsmythen bestonden al veel langer dan het Christendom.

Claes: “Van de Egyptische god Osiris wordt verteld dat hij uit de doden is opgestaan - maar niemand is ooit op het idee gekomen om dat op te vatten als een historisch feit. Je kunt het christelijke opstandingsverhaal niet los zien van andere opstandingsmythen, je moet het als een variant beschouwen. Ik heb ter voorbereiding van dit boek veel Jezus-romans gelezen. Die zijn allemaal veel te realistisch, al snel kitscherig. In het evangelie blijven alle personages op afstand van de lezer, er worden geen psychologische portretten gegeven. Dat heb ik in mijn boek ook niet willen doen, ik heb het koel willen houden - daarmee blijft de mythologische dimensie intact.”

De Zoon van de Panter is inderdaad koel, onpsychologisch, afstandelijk. Dat betekent niet dat het de lezer onverschillig laat - integendeel. Vooral de proloog van Paulus de Anachoreet en het hoofdstuk van de apostel Johannes bevatten prachtige passages. Beiden hebben veel vragen ten aanzien van God. Hoe kan hij in volmaakte rust verkeren en zich tegelijkertijd manifesteren in een onvolmaakte chaotische wereld? Hoe kan hij één zijn en tegelijk verdeeld? Paulus de Anachoreet zegt: 'Tenslotte besefte ik dat deze vertwijfeling ons beeld is van God.' En hij komt tot de conclusie dat de waarheid van God door geen van onze woorden uitgedrukt kan worden: 'Alleen in de eeuwigheid zullen onze woorden samenvallen met zijn waarheid. In deze wereld is elke spraakverwarring een getuigenis voor hem en ieder woord, hoe dwaas, arm en duister ook, een woord van God.' De apostel Johannes, eveneens in verwarring over hoe hij over God moet spreken, komt tot een overeenkomstige conclusie en tot een ontroerende belijdenis: 'Maar ik die niets weet, weet dat God de naam is van onze onmacht, onze wanhoop en onze onwetendheid.'

Niet alleen het Nieuwe Testament is een intertekstueel boek bij uitstek, ook deze roman van Claes bestaat voornamelijk uit letterlijke tekst van anderen. Als we die er eens naast zouden leggen, en alles zouden schrappen wat al elders staat, hoeveel Claes blijft er dan nog over?

“Ik zou zeggen niets - maar dat is natuurlijk niet waar. Het zou een leuke scriptie zijn voor een student om dat uit te zoeken. Voor dit boek wilde ik zo min mogelijk van mezelf gebruiken. Het heeft immers geen zin dat ik nog eens een zoveelste 'Leven van Jezus' schrijf, daar is geen enkele behoefte aan. Hoe meer ik zou verzinnen, hoe waardelozer het zou worden. Wat ik hier wilde, is de nieuwtestamentische teksten openleggen, uiteenhalen in hun verschillende aspecten en tegenstrijdigheden. Dat wilde ik ook voor mezelf, je blijft er anders toch mee lopen, 'wie es eigentlich gewesen', wat de status is van het evangelie. Ik denk dat het in deze vorm meer mensen aan het denken zet dan het mooiste essay zou doen.”