Het einde van de sport

Zal er eens een boek worden geschreven met de titel Het einde van de sport; d.w.z. zal er een dag aanbreken waarop niemand meer naar een stadion gaat, de naam van een club of een speler weet, zich voor een uitslag interesseert? Het zal wel, maar dat zou dan de Jongste Dag moeten zijn, en dan is het - voorzover we het nu kunnen beoordelen - nog onwaarschijnlijk.

Degenen die de trappen naar de Hemel bestijgen, zullen dat doen onder begeleiding van engelenkoren die hun supporterslied zingen en dan terecht komen in een stadion waar hun club altijd wint, en in de Hel is het natuurlijk omgekeerd.

De Arena van Ajax: onvermijdelijk. Er blijven een paar vragen. Ten eerste: is het volstrekt noodzakelijk dat het meesterwerk een bijnaam krijgt? Bij het naburige AMC is het geprobeerd met ziekenfabriek en aan de andere kant ligt de Bijlmerbajes. Het ene woord heeft geen wortel geschoten; het andere wel, maar in geforceerdheid doen ze niet voor elkaar onder. Voor de Arena hoor je nu dekschotel, poederdoos, reuzenschilpad. Ook allemaal gebrekkig. Een goede bijnaam geven is niet ieders werk. Het moet een gelijkenis zijn, in een flits gezien en dan in dezelfde flits het juiste woord ervoor gevonden. Dat vergt een bijzonder literair talent, waarin kwaadaardigheid, snelheid en scherpte van blik binnen één seconde tot uitdrukking komen. Er ligt geen bewust denkwerk aan ten grondslag. De bijnaam is er, opeens, en zo goed dat er niets meer aan te doen valt. De bijnamengever kan zich dus ook niet voornemen, de bijnaam te verzinnen. Dat mislukt. Er zijn leerlingen die in een flits feilloos de bijnaam voor een leraar hebben getroffen, altijd anonieme talenten. In de literatuur hebben Jan Cremer, W.F. Hermans en Reve voltreffers op hun naam gebracht. En zelfs mensen wie alle sporten zonder uitzondering gestolen kan worden, weten wie er met de Kromme wordt bedoeld. Een bijnaam kan bij het geven als scheldwoord zijn bedoeld, maar wordt in het beste geval tot de kenschets die beter blijkt te zijn dan wat er bij de burgerlijke stand staat opgeschreven. Tot nu toe is Arena voor dit bouwwerk dat aan zoveel voorwerpen doet denken, de beste benaming.

Maar afgezien daarvan: is het een goed stadion, d.w.z. zal op den duur blijken dat het beantwoordt aan de meeste eisen die er aan een goed stadion kunnen worden gesteld? Dat is niet meer een vraag die alleen de architectuur in engere zin raakt. Het gaat om de cultuur in het algemeen. Naar het voorbeeld van de rookvrije ruimtes die er meer en meer komen, heb ik weleens gedacht aan sportvrije ruimtes, maar dat is iets anders. De sport an sich zal ik het noemen, valt niet te ontlopen, evenmin als onze aarde an sich. Uit dat standpunt stel ik de vraag: is de Arena een goed stadion? Daarover heb ik me laten inlichten door een onbetwijfelbare intellectueel, iemand die het zelfstandig denken als de zin van zijn leven beschouwt en die óók van kindsbeen af aanhanger van Ajax is. Hij heeft dan ook de feestelijke opening in de Arena zelf meegemaakt.

Hij zei: “Het kàn natuurlijk nog een goed stadion worden, maar op deze feestdag was het zo ver nog niet. Om een voorbeeld te geven: waar is de F-side? Kan iemand zich het moderne voetbal zonder de F-side voorstellen? Op zo'n manier, zo klinisch aangepakt, vervreemdt de sport zich van zijn oorsprong. En dan, ook ernstig: wie kan zich erop verheugen, in het stadion naar het voetballen te gaan kijken met het vooruitzicht dat hij zich eerst moet laten fouilleren op zelf meegebrachte broodjes! Als er iets het kijk- en meeleefplezier verhoogt is het dat je in je zelf meegebrachte boterhammetje bijt. Die gedwongen nering is bij de wet verboden, in de vorige eeuw al.”

“Je bedoelt dat de vrije markt zich hier zelf in de vingers dreigt te snijden?”

“Juist!” Mijn zegsman heeft indertijd nog al wat sportevenementen in de Sovjet-Unie bijgewoond. “Sport balanceert altijd tussen twee uitersten. Of het is totaal geregeld: vijfduizend turnsters die als één vrouw de knots zwaaien, en de stadionportiers die je kaartje controleren zijn met kalasjnikovs gewapend. Of je beleeft de vrije expressie van alle emoties die onze cultuur, en dan hier in het bijzonder onze sportcultuur, eigen is. Voor de totale discipline zijn we allerminst in de wieg gelegd - dat heb ik op de opening weer eens gezien - en nu proberen we de vrije expressie ook nog half om half te beteugelen. Je mag niet in je eigen brood bijten en vechten buiten het stadion is ook verboden. Daar zie ik niets in”, besloot deze intellectueel.

“In grote trekken ben je het dus eens met Huizinga in zijn Homo Ludens?”

“Ja. Als het zo door zou gaan - wat ik niet verwacht - ga ik een boek schrijven dat Het einde van de sport heet.” Maar hij verwachtte dat het monsterverbod van commercie en veiligheid het op den duur ook in de Arena niet zou bolwerken.