Geloof

In zijn slotartikel van de serie 'De wondere wereld van het geloof' (CS 6-8) citeert Rudy Kousbroek uit een interview met mij, dat een paar maanden geleden in Opzij stond. Hij vindt mijn uitspraken over het geloof - 'het spijt me het te moeten zeggen', schrijft hij: onbenullig. Sommige citaten zijn inderdaad onbenullig, ik zou me moeten schamen, maar doe dat niet omdat het geen uitspraken van mij zijn, maar verzonnen citaten van Kousbroek.

Hij verwijt mij gebrek aan humor door me belachelijk te maken met zinnen die hij zelf heeft bedacht. Dat is geen grappige methode. 'Iets willen met God en kerk' - zo'n vaag zinnetje komt in het hele interview niet voor. In het begin van het interview zeg ik: 'Ik hoorde steeds vaker verhalen over mensen die in de laatste fase van hun leven over het geloof gingen nadenken. Als dat zo is, zei ik tegen mezelf, dan moet ik daar toch niet op gaan zitten wachten, dan moet dat toch ook consequenties hebben voor daarvóór. Ik ben een schrijver, ik wil me daar nu al mee bezighouden.' Kousbroek harkt wat woorden uit geciteerde en andere alinea's bij elkaar en maakt er heel onbenullig van: 'Met God bezig zijn.' Volgens hem vond ik dat 'ongelooflijk spannend'. Het is waar, er is iets dat ik ongelooflijk spannend heb gevonden, maar niet dat wat hij mij in de mond legt. Kousbroek wil niet lezen wat er staat, laat staan het begrijpen om het vervolgens goed weer te geven. Hij eindigt zijn artikel met de mededeling dat er maar een verstandige houding is tegenover mensen zoals ik: met ze spotten. Kousbroek spot met een schrijfster die hij uit zijn duim zuigt.

    • Vonne van der Meer