Gebouwen van kwik; Architectuur en de computer

Computers bieden architecten veel nieuwe mogelijkheden. Ingewikkelde berekeningen worden in een oogwenk uitgevoerd en bouwmaterialen kunnen complexere vormen krijgen. Toch lijken met digitale technieken ontworpen gebouwen vaak erg op elkaar. “De architectuur van het computertijdperk zal gewelfd en geplooid zijn.”

Tentoonstelling: RealSpace in QuickTimes. Nederlands Architectuurinstituut (NAi), Museumpark 25 Rotterdam. T/m 5 okt. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Catalogus (inclusief cd-rom) ƒ 49,50. Op 29 augustus geeft Ole Bouman een lezing in het NAi, aanvang 20u. Er is ook een site van RealSpace in QuickTimes op Internet: http://www.nai.nl.

Er staat een vreemd bouwwerkje in het Nederlands Architectuurinstituut. In de grote zaal zit in een reusachtige donkere doos een onbenoembaar beest opgesloten. Niets is recht aan dit beestengebouwtje, het is alsof het bestaat uit één brede houten strook die zich in alle richtingen voortslingert. Wanden zijn gekromd en gaan geleidelijk over in gewelfde plafonds die zonder duidelijke grenzen weer gebogen wanden worden.

RealSpace in QuickTimes is de naam van het beest. Het was de Nederlandse inzending op de laatste Triennale, de driejaarlijkse architectuurtentoonstelling in Milaan die dit voorjaar voor de negentiende keer werd gehouden. De meeste landen hadden gebruikelijke architectuurpresentaties gestuurd met foto's, plattegronden en tekeningen, maar Nederland wilde laten zien welke gevolgen het computertijdperk heeft voor de architectuur.

Onder begeleiding van computermuziek kan de bezoeker in RealSpace in QuickTimes op zes beeldschermen zien hoe computertechnieken worden toegepast in de medische wetenschap, industriële vormgeving, beeldende kunst en vooral de architectuur. Op de wanden en het plafond wordt het ontstaan van veelkleurige wiskundige patronen en celwoekeringen getoond, en in een doodlopend hoekje kan men op een zevende beeldscherm de tocht die men door het paviljoen maakt met behulp van een muis voortzetten: de echte 'promenade architecturale' gaat zo over in een virtuele wandeling.

Ben van Berkel, vooral bekend van de nu bijna voltooide Erasmusbrug in Rotterdam, is de ontwerper van het paviljoen. Van Berkel is een van de architecten die geloven dat het computertijdperk om een nieuwe architectuur vraagt. Als computers onze wereld geheel regeren en alle informatie in een oogwenk over de hele wereld kan worden gezonden, zal ons ruimte- en tijdbesef drastisch zijn veranderd. Zelfs ons werkelijkheidsbesef zal niet meer hetzelfde zijn: steeds meer zal de echte werkelijkheid worden vervangen door 'virtual reality', totdat niet meer duidelijk is waar de een begint en de ander eindigt. Dit moet wel grote gevolgen voor de architectuur hebben, zo ongeveer redeneren de computerarchitecten.

Knop

Voorlopig zal het nog wel even duren voor de virtuele en de echte werkelijkheid in de architectuur één vloeiend geheel vormen, zo blijkt nu uit RealSpace in QuickTimes. Want het zijn vooral de computertoepassingen in de architectuur die teleurstellen bij een bezoek aan het paviljoen. Beelden van een man die wakker wordt en vervolgens op de knop 'Fenster zu' drukt, zijn niet erg indrukwekkend. Ook de virtuele wandeling door het paviljoen is niet overrompelend. Een schokkerige tocht is het, langs de contouren van wat zich met enige moeite inderdaad als het paviljoen laat herkennen. Geen ogenblik kan de virtuele tocht de echte wandeling vervangen of zelfs maar benaderen.

Eén ding maakt het paviljoen RealSpace in QuickTimes wel ondubbelzinnig duidelijk: de architectuur in het computertijdperk zal gewelfd en geplooid zijn. Zo zijn van Kas Oosterhuis imaginaire bouwwerken met organische vormen te zien, en de architecten van NOX laten in een met de computer vervaardigde video rechthoekige wolkenkrabbers veranderen in vloeibare gebouwen van kwik.

Maar het is natuurlijk vooral het reëel bestaande paviljoen zelf dat met zijn kromme vormen een glimp van de architectuur in het digitale tijdperk geeft. Zoals Van Berkel in een videopresentatie van zijn werk toelicht, is de vorm van het paviljoen het gevolg van het ontwerpen met computers. De computer behandelt alle ingevoerde gegevens - over ruimte, wanden, licht, klimaat enzovoort - als gelijkwaardig, aldus Van Berkel. En wanneer vervolgens de informatie over de output, het resultaat, weer als input in de computer wordt ingevoerd, wordt elk object 'vloeiend, onbestemd en zwevend', voegt hij er raadselachtig aan toe.

Tot nu toe heeft Van Berkel in de vele artikelen over RealSpace in QuickTimes vrijwel alle eer voor het paviljoen gekregen, maar het ding was oorspronkelijk uitdrukkelijk bedoeld als een Gesamkunstwerk, ontworpen door een team. Hannah Bosma componeerde de computermuziek en René van Raalte was verantwoordelijk voor de beeldprojecties. Ole Bouman, sinds kort hoofdredacteur van het tijdschrift Archis, is de geestelijke vader van het hele project. Eerder schreef Bouman samen met Roemer van Toorn het omvangrijke boek The Invisible in Architecture, waarin de complete hedendaagse wereldarchitectuur wordt behandeld.

De kunsthistoricus Ole Bouman (1960) is hard op weg de pleitbezorger bij uitstek te worden van de Nederlandse computerarchitectuur. Voor het laatste Jaarboek van de Nederlandse architectuur schreef hij het essay 'Architectuur in een digitaal tijdperk' en hij is ook de auteur van de tekst in de catalogus bij de Nederlandse inzending van de Triennale.

“De architectuur loopt jaren achter in het gebruik van de computer”, vertelt Bouman in het paviljoen. “Het is schrikbarend hoe weinig architecten creatief gebruik maken van computers. Op bijna elk architectenbureau staat tegenwoordig wel een computer, maar die wordt hoofdzakelijk gebruikt voor berekeningen en nauwelijks voor het scheppen van vormen of het vernieuwen van bouwkundige programma's.

“Installatietechnici zijn al veel verder met computertoepassingen. Technische installaties - verwarmingen, klimaatbeheersing, elektronische voorzieningen enzovoort - slokken nu vaak tachtig procent van het budget van een gebouw op, maar architecten houden zich er nauwelijks mee bezig. Bedrijven als Siemens en Honeywell doen enorme investeringen in intelligente systemen en de snelheid waarmee de ontwikkelingen gaan is duizelingwekkend. Het is hoog tijd dat de architectuur als de kunst waar alles - cultuur, economie en het dagelijks leven - samenkomt, zich met digitalisering gaat bemoeien. Gelukkig zijn er nu een paar architecten in Nederland die de mogelijkheden van architectuurvernieuwing met de computer onderzoeken: het architectenbureau NOX, Kas Oosterhuis, Ben van Berkel natuurlijk en, in wat mindere mate, Zwarts en Jansma.”

Mode

De computerarchitecten hebben niet het monopolie op gewelfde en gekromde gebouwen. Ook in het werk van 'gewone' hedendaagse architecten duiken vouwen steeds vaker op. Zo gebruikt Rem Koolhaas de laatste jaren vaak geplooide vormen in zijn ontwerpen en is het nu in aanbouw zijnde, door het bureau MVDVR ontworpen VPRO-kantoor in Hilversum eigenlijk één grote gevouwen vloer. Het verband tussen de twee soorten plooi-architectuur moet worden gezocht in de filosofie.

“De architecten die vouwen en plooien gebruiken, rechtvaardigen hun ontwerpen vaak met het werk van de inmiddels overleden Franse filosoof Gilles Deleuze”, zegt Bouman. “Die heeft een boek geschreven dat De plooi heet. Dat zou je kunnen opvatten als een prelude op de computertechnologie. Daar heeft hij dan ook heel goed naar gekeken, niet zozeer naar de toepassingen in de architectuur (want die waren er nog nauwelijks), maar naar computertechnieken op andere terreinen, zoals de wiskunde en de medische wetenschap. Je zou kunnen zeggen dat filosofen als Deleuze de wereld die is ontsloten door de computer, onder woorden hebben gebracht. Vervolgens hebben de architecten, ook degenen die niet intensief met computers werken, daar echte ruimtes bij bedacht.”

De plooi is zelfs zo in zwang onder architecten dat deze vorm zonder voorbehoud de nieuwste internationale architectuurmode kan worden genoemd. De plooi-mode doet erg denken aan de voorlaatste mode, het deconstructivisme. Wat Deleuze voor de plooi-architectuur is, is de ook al Franse (maar nog levende) filosoof Jacques Derrida voor het deconstructivisme. In wezen is het deconstructivisme in de architectuur niet meer dan een banale analogie. 'De wereld is onzeker en chaotisch en dus zijn onze gebouwen dat ook', zo rechtvaardigen de deconstructivisten hun verkeersongelukkenarchitectuur. De plooi-architectuur kent een soortgelijke redenering. “De wereld wordt door digitalisering vloeiend en dus is onze architectuur dat ook”, zo zou het credo van de welvingsarchitecten kunnen kunnen worden samengevat.

“Inderdaad bestaat het gevaar dat architectuur wordt gereduceerd tot een illustratie van een theorie”, geeft Bouman toe. “Uiteindelijk blijft toch het criterium of je in die gewelfde vormen iets kunt beleven. Ook bij Real Space in QuickTimes gaat het tenslotte om de vraag of je het, los van de illustratie die het biedt, een mooie ruimte vindt. Doet het je iets om hier in de buitenste ring dood te lopen en verder te gaan met een virtueel systeem? Of de binnenbocht te nemen en verder te gaan met de lichamelijke ervaring? Vind je het prettig om het ding aan te raken? Het paviljoen is met opzet van hout gemaakt. Als dit in plastic was uitgevoerd - wat veel gemakkelijker was geweest -, zou je het na een of twee keer wel hebben gezien. Maar nu het van het hout is, nu het ook textuur heeft, geloof ik dat het aardig werkt.”

Ouderwets

Zoals zo vaak het geval is met mode, doet ook de laatste architectuurmode een beetje ouderwets aan. De plooi- en welvingsarchitectuur lijkt wel een reïncarnatie van het expressionisme uit het begin van deze eeuw. Al die krommingen lijken sprekend op de ontwerpen vol organische vormen van Duitse expressionisten als Erich Mendelsohn, Hermann Finsterlin en Bruno Taut. De plooi-architectuur brengt zelfs een nog oudere bouwstijl in herinnering: de zich uitbundig welvende barok.

Volgens Bouman gaat het hier om een bijna onontkoombaar verschijnsel: “Zo gaat het vaak met vernieuwingen: voordat men met nieuwe technieken iets werkelijk nieuws verzint, maakt men eerst gebruik van beelden en elementen die al bekend zijn. De eerste auto's leken sprekend op een koets en de eerste computertoetsenborden leken op de typemachine die niet digitaal maar mechanisch letters voortbrengt. Toch is het een relevante vraag: waarom laten zoveel architecten die goed zijn in computertoepassingen zich verleiden tot de herkenbare symboliek van het organische bouwen? Waarom haalt de Amerikaanse architect Greg Lynn zijn inspiratie uit theorieën van biologen uit de jaren twintig en dertig? Waarom wordt hij geïnspireerd door het vitalisme dat al in de barok een belangrijke rol speelde? “Waarom zouden de hoeken moeten verdwijnen? Ik zie daar zelf de noodzaak niet van in. Ik geloof dan ook dat de blub-architectuur maar één mogelijke vorm van bouwkunst in het digitale tijdperk is. De Amerikaanse architect Peter Eisenman had op de Triennale een installatie die thematisch dicht bij het Nederlandse paviljoen stond. Maar hij had juist kristallen als inspiratiebron genomen, in zijn paviljoen bewoog je je door een gletscherachtige structuur. Het Nederlandse paviljoen is slechts een van de voorbeelden van mogelijke architectuur in het digitale tijdperk, het is een klein voorproefje van wat komen gaat.”

Bouwbaarheid

Soms ontstaat de indruk dat computerarchitecten zo verzot zijn op welvingen, omdat ze deze complexe vormen met de computer relatief eenvoudig kúnnen ontwerpen. In het predigitale tijdperk moest een ontwerper zich een ongeluk rekenen om precieze constructietekeningen van alzijdig gewelfde gebouwen te maken, maar met de computer is dit niet meer zo moeilijk. Bovendien zijn eventuele wijzigingen met de computer in een oogwenk door te voeren. Probleem blijft wel dat de geavanceerde ontwerpen alleen met veel moeite en geld of zelfs helemaal niet zijn te realiseren door bouwbedrijven die nog altijd grotendeels leunen op menselijke arbeid. Ook bij RealSpace in QuickTimes deed zich het probleem van de bouwbaarheid voor. “Ik vond het belangrijk dat dit paviljoen werd ontworpen door een architect die niet alleen intensief gebruik maakt van computers, maar ook heeft bewezen dat hij kan bouwen”, zegt Bouman. “Maar ook bij dit paviljoen ging de bouw niet vanzelf. Het ding is uiteindelijk helemaal opgetrokken uit enkelvoudig gebogen stukken, hoewel het oorpronkelijke ontwerp voorzag in bouwdelen die in meer dan één richting waren gebogen. Nu bestaat RealSpace in QuickTimes eigenlijk geheel uit platte vlakken en delen van kegels, cilinders, stereometrische figuren waarmee architecten al eeuwen werken en die slechts de suggestie van een alzijdig gekromd, organisch bouwwerk wekken.

“Toch verwacht ik dat de bouw van dergelijke complexe vormen in de toekomst minder problematisch wordt. Steeds meer bouwbedrijven zullen overweg kunnen met de computertechnieken die overigens snel goedkoper worden. Niet alleen zullen meer bouwwerkzaamheden worden geautomatiseerd, maar ook zullen bouwondernemingen in staat zijn om met behulp van computers en machines vormen te vervaardigen die onmogelijk met menselijke arbeid zijn te maken. Bij dit paviljoen zag je al een begin hiervan: de onderdelen zijn gezaagd door een machine die werd bestuurd door een computer waarin een diskette van het ontwerp werd gestopt. In dit soort ontwikkelingen zal verder worden geïnvesteerd. Voor de Erasmusbrug is bijvoorbeeld veel geld besteed aan nieuwe reken- en constructietechnieken om de bouw van deze ongebruikelijke brug in Rotterdam mogelijk te maken.

“Maar onversneden optimistisch ben ik niet. Het is nog maar te vraag of de ontwikkeling tot het ontwerpen en bouwen van steeds complexere vormen niet teniet wordt gedaan door de gelijktijdige tendens tot versimpeling. Nog veel grotere investeringen worden gedaan in vereenvoudiging en standaardisatie. Er bestaan al kant en klare systemen die bouwen tot kinderspel maken en er zijn boeken die voor elk denkbaar bouwkundig probleem vier à vijf standaardoplossingen geven. Architectuur wordt zo niet meer dan het schakelen van bekende oplossingen. Terwijl alle grote bouwkunst toch een poging is om iets moeilijks te verzinnen voor een relatief eenvoudige vraag: moeilijk doen als het makkelijk kan.”