Fotogenieke bisschoppen

'Rooms nieuws scoort het best', stond er onlangs boven een artikel in het Nederlands Dagblad, een van de twee gereformeerde dagbladen die Nederland nog rijk is (het andere is het Reformatorisch Dagblad). Het artikel zelf was een samenvatting van een afstudeerscriptie van een student aan de Christelijke Hogeschool Windesheim te Zwolle.

Deze student, Theo Brand, had, op grond van het nieuws van één maand (november 1995), nagegaan hoe vier landelijke dagbladen - Algemeen Dagblad, NRC Handelsblad, Trouw en de Volkskrant - nieuws over geloof en godsdienst behandelen (of niet behandelen, neem ik aan).

Uit dat onderzoek was, onder andere, gebleken dat die kranten relatief meer nieuws uit rooms-katholieke dan uit de protestantse kerken geven. Hoe komt dat? Wel, terwijl protestantse synodes nu niet bepaald de meest flitsende bijeenkomsten zijn, zoals een redacteur zei, kan het rooms-katholieke nieuws vaak opgehangen worden aan één persoon: de paus of een bisschop, die bovendien fotogenieker zijn dan dominees.

Niet iedereen zal het eens zijn met dit selectiecriterium, maar interessanter is dat niet alleen redacties, maar ook kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders er blijkbaar waarde aan hechten. Ik citeer de laatste alinea van het artikel in het Nederlands Dagblad:

“November vorig jaar is om die reden” - de publiciteitswaarde of kijkdichtheid van de r.-k. prelaten - “een voorstel ingediend op de ('synodaal') gereformeerde synode om ook het bisschopsambt in te voeren. Uit Brands onderzoek blijkt dat die synode vorig jaar alleen vanwege dàt voorstel de kolommen van het Algemeen Dagblad, NRC Handelsblad en de Volkskrant haalde.

“Als de protestantse kerken beter willen communiceren met de Nederlandse bevolking, lijkt het invoeren van het bisschopsambt - in navolging van de Hongaarse gereformeerden - inderdaad geen slechte optie, concludeert hij” (hiermee is de schrijver van de scriptie bedoeld).

Het zou wel heel droevig met de kerken gesteld zijn als zij zulke reclametrucs zouden uithalen: alleen ter wille van de publiciteit die dit misschien zou opleveren, het bisschopsambt instellen. Een kerk die zich hiertoe zou verlagen, zou toch niet meer ernstig genomen kunnen worden?

Het is waar dat vele kerken de laatste tientallen jaren zieltjes hebben proberen te winnen of te behouden met beatmissen of (in protestantse kerken) altaren, liturgische diensten en, hier en daar, kleurrijkere gewaden dan de zwarte tabbaard van de predikant. Ook dat waren concessies aan wat men dacht dat de mensen, of in elk geval de jeugd, wilden.

Hebben de kerken, als gevolg daarvan, zich weer gevuld? Geen sprake van. Dáárvoor gaan de mensen dan ook niet naar de kerk. Bovendien zijn die methodes te doorzichtig. Het netto resultaat ervan is waarschijnlijk eerder negatief dan positief.

Maar is het niet waar dat er protestantse kerken zijn buiten Nederland die het bisschopsambt kennen? Inderdaad. De Hongaarse gereformeerden zijn al genoemd. Maar ook de anglicanen en de lutheranen (in Scandinavië en Duitsland) hebben bisschoppen. Maar dat is daar oude traditie, die zeker niet is ingesteld als kijkspel voor de gelovigen.

Kerken daarentegen die eeuwenlang zonder bisschop zijn geweest, maken zich ongeloofwaardig als ze plotseling de waarde van dat ambt ontdekken. Tenzij ze dit theologisch overtuigend kunnen verklaren, zouden ze meer oude gelovigen afschrikken dan ze er in lange tijd nieuwe bij zouden krijgen.

Intussen blijft het een feit dat de paus van Rome en zijn vele plaatsvervangers over de hele wereld meer de aandacht trekken dan de secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken. Maar of dit ook volle kerken garandeert en maakt dat de gelovigen ook hun andere geloofsplichten nakomen? In Nederland in elk geval niet.

Toch ziet de socioloog prof. A.C. Zijderveld nog een grote toekomst voor de r.-k. kerk - juist omdat het katholicisme, zoals hij in een gastcolumn in deze krant (8 juni jongstleden) schreef, “van oudsher een audiovisuele religie” is, “die op voorbeeldige wijze het esthetische van muziek en beeld verbindt met het rationele van woord en organisatie”. Bovendien biedt die kerk “veel gezelligheid en vrolijkheid” en toont zij “een ruimhartigheid waar het de alledaagse moraal betreft”.

Dat is allemaal zeker waar, maar of het voldoende is om de r.-k. kerk opnieuw een kracht in de samenleving te doen zijn - ook in een samenleving waar, zoals Zijderveld voorziet, “godsdienst weer een factor van belang wordt”? In zo'n samenleving heeft, volgens hem, de r.-k. kerk, juist vanwege die hoedanigheden, een pre op de “streng monotheïstische godsdiensten”, die, als het erop aankomt, iconoclastisch zijn en een striktere naleving van de moraal vergen.

Let wel: anders dan ten minste één domme reactie meende (die bovendien in de krant van 18 juni de status van artikel kreeg), verdedigt Zijderveld niet het roomskatholieke geloof. Dat kan hij ook moeilijk omdat hij agnost is. Hij geeft alleen maar, uitgaande van de premisse dat godsdienst weer een factor van belang wordt, de rooms-katholieke kerk meer kansen in de samenleving van straks dan andere kerken. Die these is natuurlijk betwistbaar, maar als dat bewaarheid zou worden, zou het grotendeels het gevolg zijn van oorzaken die weinig met het wezen van het geloof te maken hebben.