Dokter, degen en slikker

Van de Notre Dame liep ik naar het Île St. Louis waar Berthillon zijn keelstrelende vruchtenijs schept. Op de brug zag ik voor het eerst van mijn leven een degenslikker.

Staande in een grote kring nam hij een slok water en met opgeheven hoofd liet hij het schoongepoetste lemmet van zijn degen geheel verdwijnen. Ik mat zijn degen. Het botte lemmet bleek langer dan mijn onderarm plus hand.

Thuis ben ik de literatuur ingedoken. Er zit een beeldschoon verhaal aan vast.

In 1868 in Freiburg zag een dokter Keller ooit een demonstratie van een degenslikker. Hij vroeg hem zijn keel te laten inspecteren. Dokter Muller voerde de inspectie uit en stelde aan professor Kussmaul voor de slokdarm van de degenslikker te bekijken.

Kussmaul besloot hem te onderzoeken met een endoscoop zoals die werd gebruikt in de pisbuis en de blaas.

Hij vroeg een instrumentmaker in de stad een buis te maken van 47 centimeter lang en 13 millimeter dik. Bij het inbrengen van de buis werd met een houten stok (mandrijn) de holte van de buis tijdelijk geheel opgevuld. De degenslikker verdroeg de buis goed. Maar de lichtbron was te zwak om een veld dat zover weg lag te belichten. Het licht werd verbeterd en verschillende afwijkingen aan de slokdarm werden onderzocht.

Kussmaul en de degenslikker demonstreerden de rechte slokdarmkijker (oesofagoscoop) in verschillende klinieken.

Kussmaul kreeg kritiek: bij een kwakzalver, zoals de degenslikker werd genoemd, kon je gemakkelijk een buis inbrengen, maar niet bij patiënten die niet gewend waren aan het slikken van degens.

Maar toch won de rechte oesofagoscoop het van het type met een bocht dat eerder werd gebruikt.

Het was de degenslikker die de mogelijkheid liet zien om de hoek tussen de mond en de keel te strekken, een techniek die al in de Griekse oudheid bekend was. Maar hoe hebben de Grieken dat bedacht?

    • Pek van Andel