De borstkas van De Minnaar

Désanne van Brederode sleepte 'De Taal der Verliefden' van Roland Barthes als een duimlapje overal mee naartoe. 'Roland Barthes werd mijn beschermengel, mijn alter ego, mijn esoterische vraagbaak, mijn Ultieme Schouder'. Vervolgens trof ze 'Roland Barthes over Roland Barthes' bij De Slegte aan. Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Roland Barthes door Roland Barthes. Vert. Michel J. van Nieuwstadt & Henk Hoeks. Uitg. SUN, 216 blz. Prijs ƒ 11,50 bij De Slegte.

Er staat een foto van hem in. Een foto die volgt na een reeks familiekiekjes, waarvan ik allang niet meer weet of ze nu echt ontroerend zijn, of me ontroeren omdat ik van hem ben gaan houden. Er staat een foto van hem in, op pagina 46 (de enige pagina die niet genummerd is - dat kan geen toeval zijn) die zelfs onder de ziekenhuisverlichting van De Slegte veel meer dan vage herkenning teweegbracht. Alles klopte precies: zijn grote hoofd, de frons waarmee hij zijn aansteker hypnotiseert, de dorst waarmee hij alle smaak uit zijn sigaret lijkt te willen trekken, (zoals je vroeger met je rietje probeerde om uit de randen van een lege milkshake-beker het laatste slurpje te stelen), de toverglans over zijn bijna witte haar, de hand die hij net niet helemaal in de zak van zijn regenjas heeft gestoken, - leve de glimp van een pols! - en natuurlijk de regenjas zelf. Kledingstuk waarin hij even vermoeid als ongenaakbaar lijkt. (Alsof de gabardine iets gebrokens overeind moet houden. Terwijl de trekkende plooien rond de knoopjes juist het omgekeerde suggereren: binnen zijn neutrale-nette-heren-huid ademt, bonst en zweet en groeit het lichaam van de schrijver, de borstkas van De Minnaar... delicaat en explosief. Ik weet nog altijd niet of ik hem uit zijn jas zou willen openknopen, teder, vingertoppigteder, of de verpakking dicht moet laten om een spontane woordbrand te voorkomen.) De foto leek zelfs een beetje te ruiken, naar nat trottoir, kastanjes in september, te sterke thee en vers gestreken overhemden, - dus alles klopte precies. Maar wat nog het meeste klopte was het onderschrift. 'Linkshandig'.

Het kon niet anders of iemand had deze foto speciaal voor mij tussen de bladzijdes geschoven. Ik weet nog dat ik even om me heen keek toen ik hem aantrof. Stond er iemand achter een schap, een postillon d'amour van Gene Zijde, die er door mijn persoonlijke Cyrano op uit was gestuurd om te zien of ik niet teleurgesteld zou zijn: 'Hè get, is dat 'em nou?'? Nee, ik was niet teleurgesteld. Integendeel. Dit was hem dus. Roland Barthes. De man aan wie, vanaf mijn eerste ontmoeting met zijn boek De Taal der Verliefden, al alles had geklopt. Zijn sterrenbeeld, zijn voorkeur voor bepaalde denkers, mystici en schrijvers, de kokette openhartigheid waar het innerlijke worstelingen betrof, de neurotische tic om zelfs in alledaagse details een liefdesfilosofie te ontdekken en Barthes' neiging die tic op te vatten als Taak. (Tot op het bot verliefde causeurs lijden heimelijk aan het Henk Binnendijk-complex: ze moeten elk gezellig gesprek in de richting van de liefde manipuleren, en elke afkeer die dat oplevert vormt een extra bewijs van de verdorvenheid van niet verliefde zielen.) Niet alleen zijn naam, ook zijn bijnaam leek een intiem geheim teken: er bestaat een boek over Barthes dat The professor of Desire heet terwijl mijn doopnaam...Tata! Ik had veel gehuild bij het lezen van Barthes. Soms kun je huilen zonder het te merken, alsof je ogen alleen maar zachtjes lekken, alsof je netvlies de schijn even niet kan hooghouden. Niks heldere blik. Niks volwassen gehuichel 'Ik doorzie het allemaal heel goed, stijltrucjes, poses, invloeden uit semiotiek en psychoanalyse enzovoorts, maar laat me even in de waan.' Niks waan. Ik huilde in bussen en treinen, in dat stomme café 'Heineken-hoek' aan het Leidseplein, in de mensa van de VU en op de bank bij mijn ouders, kortom overal waar ik de De Taal der Verliefden mee naartoe had gezeuld, bij wijze van onafscheidelijk duimlapje of naar 'thuis' ruikend speelgoedkonijn. Roland Barthes werd mijn beschermengel, mijn alter ego, mijn esoterische vraagbaak, mijn Ultieme Schouder. De lege plaats die puberhelden ooit hadden achtergelaten, ('Even een pakje sigaretten bij de nightshop halen, honey.') raakte bezet door een denker/schrijver die de moeite van het begeren waard was. Na zes jaar studie voelde ik eindelijk wat wijsbegeerte echt is: wakker worden in de huid van Alcibiades en willen zoenen met de taal van iemand die het altijd beter weet. Gedreven door het geloof dat het verhemelte waaraan zijn waarheden ontspringen, dús ook de hemel zelf omvat. Wat Socrates en Barthes zo aantrekkelijk maakt, is hun onverhulde twijfel aan zichzelf. Elke onthulling van Roland Barthes is in een fragment blijven steken: een profetie die de pas inhoudt, zogenaamd om zijn sokken op te trekken en even schalks te controleren of zijn veters nog wel vastzitten, maar eigenlijk om te luisteren of de krachttermen achter hem niet te lang blijven nadreunen.

De angst voor zijn sentimentaliteit, voor die onmodieuze toewijding aan dat ondeelbare moment waarop hij oog in oog stond met Liefde himself, maar ook de angst voor objectiviteit, de angst om een dierbare jeugdherinnering-met-invloed-op-ideeën onbesproken te laten, de angst om te doen alsof muziek, eten, lichamelijke kwaaltjes, privé-telefoontjes en weersomstandigheden niets met denken van doen zouden hebben, - die angsten en ambivalentie maakten Barthes voor mij mooier dan een hele conferentie van nog in leven zijnde, heteroseksuele beroepsfilosofen bij elkaar. Maar in stilte erkende ik het heus wel. In Barthes was ik natuurlijk gewoon verliefd op de melancholieke, allang de vijftig gepasseerde dandy in mezelf. En dat huilen vloeide 'alleen' maar voort uit alle spanning die ik in die periode toch al moest ontladen, - het was allemaal endocrinologisch te verklaren en de rest kon ik afdoen met snufjes Freud en astrologie. Dat ik in grijze colbertjes ging lopen: identificatie met de altijd afwezige Vader. Dat ik mijn zwelgen zelf weer om zeep bracht: de zelfdestructie na het spons-zijn, eigen aan Scorpio. Tot die verrassende ontmoeting bij De Slegte. In Roland Barthes door Roland Barthes kreeg ik de Meester zelf te zien en dat voor ƒ 11,50. Waarschijnlijk heeft nog nooit iemand het een compliment voor een boek gevonden, dat het in de ramsj terecht is gekomen. Maar ik was er kinderlijk blij mee: speciaal voor mij lag ergens een kosmisch studieprogramma uitgestippeld, 'Via Doorleefd Narcisme naar het Vrije Huwelijk' of zoiets. Een door de massa uit de mond gespaard cadeautje. Eindelijk kon ik mijn ja-woord geven; aan de filosoof zoals-ie voor zijn bedwelmend en bloedzuigend minnaarschap was. Aan de ware (?) Barthes, aan de inktvis die zich verschuilt en zichtbaar maakt door zijn eigen inktgordijn, in één en hetzelfde moment. (pag. 178) In alles probeer ik zijn stijl en inhoud na te spelen, als was het toetsenbord van mijn computer een piano, waarop ik driftig probeer Barthes' 'études-de-la-souplesse' (De Schrijver die Schrijft over Schrijven kan 'R.B door R.B' beter heten) erin te hameren. Maar schrijven over iets wat eigenlijk van mij had willen blijven kan ik alleen met twee linkerhanden. Sinds de man op de foto over mijn schouder meekijkt, is er een partner in Linkshandigheid.