Conflict Hongarije en Roemenië blijft onopgelost

Hongarije en Roemenië zijn het na jaren van moeizaam onderhandelen eens geworden over hun basisverdrag, het akkoord dat de bilaterale betrekkingen regelt en in principe alle uitstaande bilaterale problemen moet oplossen. Het akkoord moet, na een laatste revisie door experts, volgende week, midden september worden getekend.

Dan hopen beide landen te hebben voldaan aan een belangrijke eis van de Europese Unie. Die eist immers van alle kandidaat-leden in het Oosten dat ze eerst hun wederzijdse conflicten oplossen voordat ze in aanmerking kunnen komen voor het EU-lidmaatschap.

Het was niettemin zonder een spoor van opgetogenheid dat dinsdag de onderministers van Buitenlandse Zaken van beide landen, Ferenc Somogy en Marcel Dinu, melding maakten van hun overeenstemming: de onderhandelingen zijn te moeizaam geweest, het eindresultaat is voor niemand bevredigend, het akkoord is op belangrijke punten vaag en voor diverse interpretaties vatbaar. En daar komt nog bij dat vooral de Hongaren, anderhalf jaar na de ondertekening van een basisakkoord met Slowakije, weten dat van een verdrag zo niet de letter, dan toch de geest kan worden geschonden en dat zo'n verdrag zelfs de relaties tussen beide regeringen niet verbetert: de betrekkingen tussen Bratislava en Boedapest zijn - nog altijd wegens het probleem van de minderheid - uitgesproken problematisch.

Het moeilijkste punt bij de onderhandelingen met de Roememen was - net als in die met de Slowaken - de positie van de Hongaarse minderheid (volgens officiële cijfers 1,7 miljoen zielen). Boedapest stond in het overleg op opname van Aanbeveling 1201 van de Raad van Europa, waarvan artikel 11 bepaalt dat nationale minderheden recht hebben op een passend plaatselijk of autonoom bestuur, of een speciale status die overeenkomt met de wet van de betreffende staat.

De Roemenen verzetten zich tegen opname van Aanbeveling 1201, omdat die zou kunnen worden uitgelegd als een recht op collectieve rechten en plaatselijke en regionale autonomie, en dat wil Boekarest tot elke prijs voorkomen. De partij van de Hongaren in Roemenië, de Democratische Unie van Hongaren in Roemenië (UDMR), eist die autonomie wel en realiseert die - tot woede van de Roemenen - in steden als Odorheiu Secuiesc (Székelyudvarhely), waar de Hongaren ruim in de meerderheid zijn.

Uiteindelijk is een compromis bereikt: '1201' is wel in het basisverdrag opgenomen, maar ze gaat vergezeld met een “gezamenlijke interpretatie” die uitsluit dat de Hongaren in Roemenië er collectieve rechten of het recht op territoriale autonomie aan kunnen ontlenen. Dat laatste stelt Boekarest tevreden, het eerste Boedapest.

Daarmee hebben de onderhandelaars de kool en de geit gespaard, zonder zelf echt tevreden te zijn: het probleem is al te duidelijk in de kern onopgelost gelaten en de deur naar conflicten in de toekomst staat onveranderd open: een herhaling van het Slowaakse scenario. Daar heeft de Hongaarse minderheid moeten constateren dat haar rechten op het gebied van lokaal bestuur, onderwijs en het openbaar gebruik van de eigen taal ondanks de ondertekening van het basisverdrag met Hongarije alleen maar verder zijn uitgehold.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat in Hongarije het nieuws van de overeenstemming over het basisverdrag negatief is ontvangen, vooral aan de rechterkant van het politieke spectrum. Ágnes Maczó Nagy, vice-voorzitter van de Partij van Kleine Boeren (in de peilingen de tweede partij van het land), vond dat “de rassendiscriminatie” en “de holocaust” tegen Hongaren door het basisverdrag niet zullen worden voorkomen. De politicus en schrijver István Csurka, leider van de niet in het parlement vertegenwoordigde Hongaarse Partij van Rechtvaardigheid en Leven, riep op tot gezamenlijke actie van de oppositie om ratificatie van het verdrag te voorkomen en de voormalige minister van Buitenlandse Zaken Géza Jeszenszky van het oppositionele Hongaars Democratisch Forum (MDF) hekelde het verdrag om zijn vaagheid. Het verdrag, aldus Jezsenszky, bevat geen garanties voor lokaal zelfbestuur op het gebied van onderwijs en cultuur en bevat ook geen bepalingen die het Roemeense extremisten verbiedt stemming te maken tegen de Hongaren. De Roemeense president Iliescu, aldus de oud-minister, heeft ingestemd met het verdrag omdat het Slowaakse voorbeeld aantoont “dat hij dit papier kan tekenen zonder zijn beleid te hoeven veranderen”. Ook de christen-democraten stelden vast dat de regering in Boedapest geen lering heeft getrokken uit de ervaringen van de laatste anderhalf jaar met Slowakije.

Maar ook in Roemenië bestaat ontevredenheid, omdat Aanbeveling 1201 toch nog in het verdrag terecht is gekomen. Het luidst is het verzet uiteraard bij de drie extreem-nationalistische partijen, waarvan de belangrijkste, de Partij van Roemeense Nationale Eenheid (PUNR) alvast heeft aangekondigd het verdrag niet te zullen steunen: zij wil het in een referendum aan het volk voorleggen, op 3 november, als de Roemenen toch naar de stembus moeten om een nieuwe president en een nieuw parlement te kiezen.

Het minst gelukkig is uiteraard de UDMR, de partij van de Hongaren in Roemenië, die al geruime tijd klaagt dat de discriminatie van Hongaren in Roemenië “erger is dan onder Ceausescu”. De UDMR moest niets hebben van een gemeenschappelijke interpretatie van '1201', omdat die aanbeveling sowieso “niet voorziet in een vorm van autonomie die de soevereiniteit en territoriale eenheid van een land aantast”, zoals een UDMR-leider, Csaba Tanács, het begin deze week uitdrukte.

De UDMR ziet de bui al hangen nu Boedapest en Boekarest het concept van de collectieve rechten en de etnische autonomie gezamenlijk hebben begraven: zij vreest met het Slowaakse voorbeeld voor ogen dat het basisverdrag de positie van de Hongaren alleen maar verder zal verzwakken.