Brutale knieën; Wilhelm Lehmbruck en de menselijke maat

De Duitse beeldhouwer Wilhelm Lehmbruck (1881-1919) heeft een eigen museum in Duisburg, ontworpen door een van zijn zonen. Lehmbrucks meesterstuk, een stervende soldaat, staat er in een kapel van licht.

Wilhelm Lehmbruck Museum, Friedrich-Wilhelm-Strasse 40, Duisburg. Di t/mza 11-17u, zo 10-18u.

Duisburg, een van de meest vervuilde steden van het Roergebied, doet zijn uiterste best zich te profileren als stad van kunst en cultuur. Net als elders in de omgeving komen ook hier industriële gebouwen en fabrieken leeg te staan, die vaak een culturele bestemming krijgen. Een deel van de binnenhaven, de grootste binnenhaven van Europa, wordt een recreatiegebied. Aan deze haven bouwt de Engelse architect Norman Foster een sensationeel appartementen-complex, geheel van glas. Het gebouw zal lijken op een schip en zich als een geluidswal om de haven heenbuigen. Maar zover is het nog niet. Voorlopig is het Lehmbruck Museum in het Immanuel Kantpark Duisburgs belangrijkste bezit op het gebied van de kunst. Wilhelm Lehmbruck (1881-1919) kan de belangrijkste Duitse beeldhouwer van deze eeuw genoemd worden. Het museum beheert zijn nalatenschap.

Het pad naar het museum voert over een betonnen plaat. Vluchtig las ik de in de plaat gebeitelde woorden: 'Alle Kunst ist Masse'. Het is een uitspraak van Lehmbruck. 'Alle kunst is massa' - de woorden zetten zich vast in mijn hoofd. Het is waar, alle beeldende kunst is materie. Lehmbruck modelleerde de sculptuur uit klei, een menselijke gestalte groeide onder zijn handen uit de inerte substantie. De basis van een sculptuur liet hij vaak onafgewerkt, als een herinnering aan het ontstaan uit de materie. Hij besteedde veel zorg aan het oppervlak, schuurde het totdat het een levendig patina kreeg, en de ronding van een schouder of een borst glanzend oplichtte. Tenslotte wreef hij rode, gele of grijze pigmenten in het oppervlak. Al zijn beelden hebben een eigen, warme huid.

De gedachte dat kunst massa is, is modern. Zij werd halverwege de eeuw de leidraad van het Modernisme. De manier waarop Lehmbruck brak met de klassieke traditie, laat zijn Knielende vrouw uit 1911 goed zien. Het is een hoekige sculptuur, met extreem langgerekte proporties. De vrouw steunt met één knie op de grond, het onderbeen steekt ver naar achteren, de lange voet reikt tot aan de rand van de sokkel. De andere knie steekt puntig en brutaal de ruimte in. Maar er is ook zachtheid in dit beeld, in de gewelfde rug bijvoorbeeld, en in het peinzende, introverte gebaar van de opgeheven arm en de neiging van het hoofd. Lehmbruck is hier al ver verwijderd van de beeldhouwer die aanvankelijke zijn grote voorbeeld was, Maillol. In plaats van de rust en zelfverzekerdheid van een naakt van Maillol, drukt dit beeld aarzeling, en een in zichzelf gekeerd zijn uit.

Het Lehmbruck Museum is opgebouwd uit drie blokken: een vierkant, een langgerekt en een ruitvormig blok. Twee ervan werden aan het begin van de jaren zestig ontworpen door de zoon van de beeldhouwer, de architect Manfred Lehmbruck. Ook de directe omgeving met planten, bomen en een vijver werd door hem verzorgd, evenals de opstelling voor de beelden. Zo richtte hij voor zijn vader een monument op. Het gebouw ademt een gewijde, intieme sfeer. Overal stroomt het zonlicht naar binnen, en valt direct op de sculpturen die daardoor steeds een ander aspect van zichzelf tonen.

De grote vierkante Lehmbruck-tentoonstellingshal ligt links naast de entree van het museum. Binnenkomend heeft de bezoeker een overzicht over de hele ruimte. Het middengedeelte is diep verzonken, eromheen liggen hogere galerijen die vernuftig door trappen met elkaar zijn verbonden. Op een kleine binnenplaats in het midden van het vierkant staat de bronzen Oprijzende jongeling uit 1913. De naakte man heeft weer die typische lange proporties, terwijl het geheel toch in verhouding blijft. De ene voet rust op een steen, in een variant op het klassieke Stand- en Spielbein. Eén arm is voor de buik gevouwen, de andere wijst omhoog, de wijsvinger komt net boven de schouder uit. Het gebaar doet denken aan laatmiddeleeuwse verbeeldingen van Johannes de Doper wijzend naar de 'Verlosser die na hem komen zal'. Ook de bedroefdheid en berouwvolle inkeer die het beeld uitdrukt doen denken aan laatgotische, religieuze Andachtsbilder. Manfred Lehmbruck heeft het religieuze karakter van dit beeld benadrukt door het in een kapel van licht te plaatsen.

Oorlogsschilder

Wilhelm Lehmbruck werd geboren in een mijnwerkersgezin in het dorp Meiderich, dat nu een stadsdeel van Duisburg is. Dankzij stipendia kon hij de kunstnijverheids-academie in Düsseldorf doorlopen. In 1910 verhuisde met zijn vrouw naar Parijs en vestigde zich in Montparnasse. Deze jaren tot aan de Eerste Wereldoorlog waren zeer vruchtbaar. Hij onderhield regelmatig contact met kunstenaars als Archipenko, Matisse, en Brancusi. Lehmbruck ontwikkelde zijn eigen taal, en schiep het ene beeld na het andere, hoofdzakelijk vrouwenfiguren. In 1914 meldde hij zich in Duitsland aan voor militaire dienst, en verhuisde naar Berlijn waar hij als hospitaalsoldaat te werk werd gesteld. In het jaar daarop werd hij als oorlogsschilder naar Straatsburg gestuurd. In deze periode kreeg Lehmbruck steeds heviger aanvallen van depressiviteit. Na vijf maanden lukte het hem om met een geneeskundig attest wegens hardhorendheid te ontsnappen aan de militaire dienst. De verdere oorlogsjaren bracht het echtpaar Lehmbruck door in Zürich. Ondanks vriendschappen met andere uitgeweken kunstenaars en ondanks succesvolle exposities, slaagde Lehmbruck er niet in zijn depressies te overwinnen. In maart 1919 werd hij toegelaten tot de Pruisische Akademie van Schone Kunsten, een belangijke erkenning van zijn kunstenaarsschap, samen met onder anderen Käthe Kollwitz en Ernst Barlach. Aan het eind van dezelfde maand maakte hij in Berlijn een einde aan zijn leven.

Lehmbruck schiep zijn beroemdste beeld, De Neergestorte, in 1916. Met deze sculptuur vond hij een volkomen nieuwe vorm voor het oude thema van de stervende soldaat. De Neergestorte is naakt, wat sinds de klassieke oudheid in deze context een symbool was van heldendom. Maar van heroïek is geen sprake, integendeel: de magere naakte man, voorovergebogen met het hoofd op de grond en een gebroken zwaard in de hand, drukt een verschrikkelijke verslagenheid uit. Ik ken geen beeld dat zo duidelijk laat zien hoe zinloos oorlogsgeweld is. Het beeld is uiterst sober, de vormen van het lichaam tot op hun essentie gereduceerd. Die reductie geeft het beeld zijn grote zeggingskracht.

Sinds De neergestorte ontwikkelde de kunst van Lehmbruck zich naar steeds meer vergeestelijking. De tors van Een denker is half weggeteerd, het smalle hoofd rijst omhoog op een langgerekte hals. Hoe kan iemand die zo'n ranke, ijle hals boetseert, zeggen dat kunst massa is? Alles is erop gericht om uitdrukking te geven aan het immateriële.

Bij mijn vertrek liep ik weer over de betonnen plaat in het park. Tot mijn verbazing bleek dat ik me de eerste keer vergist had. Eén letter ontbrak nu en die ene letter veranderde alles. 'Alle Kunst ist Mass' stond er, duidelijk gebeiteld in regelmatige letters. 'Alle kunst is maat'. Dat geldt niet alleen voor het vroege, maar ook voor het late werk van Lehmbruck. Want al zijn de proporties nog zo gemaniëreerd, altijd is er die afgewogen maatvoering.

Levensredder

Het Lehmbruckmuseum verzamelt ook twintigste-eeuwse beeldhouw- en objectkunst. Het noemt zich dan ook 'Europees centrum voor moderne sculptuur'. De derde vleugel van het museum, bestemd voor wisselende exposities, bouwde Manfred Lehmbruck in 1985 in samenwerking met Klaus Hänsch. In de vaste collectie zijn prachtige beelden te vinden, zoals De blonde negerin (1926) van Brancusi en het Sprookjesreliëf (1978) van Jean Tinguely. Maar geen enkele opstelling is zo imposant en ontroerend als die in de Lehmbruck-hal. De Poolse beeldhouwster Magdalena Abakanowicz (1930) heeft dit ook zo ondergaan en bracht op een glooiend grasveld in het park een hommage aan Lehmbruck. Ruw uitgehakte grafstèles staan bijeen op het gras voor een zijraam van de Lehmbruck-expositie. Van binnenuit zijn ze ook goed te zien. Ze bevestigen het 'herdenkende' karakter van het werk van Lehmbruck.

Wie het park verlaat, ziet aan het eind van de straat een reusachtig beeld opdoemen van Niki de St.-Phalle. Het adagium dat alle kunst maat is zal haar niet bijzonder aanspreken. De knallend roze en blauwe kleuren springen van verre in het oog. Het beeld is maar liefst vijf meter hoog en staat bovenop een machinerie van tweeënhalve meter die de man van De St.Phalle, Jean Tinguely, kort voor zijn dood ontwierp. Er spuit water uit zijn vleugels, dat een stralenkrans om hem heen vomrt als ware hij een engel. Als het bassin is volgelopen, draait de sokkel zich een kwartslag om.

Het beeld is onderdeel van een 'Fonteinenroute' door de binnenstad van Duisburg. De route bestaat uit een serie van zes fonteinen, ontworpen door hedendaagse, hoofdzakelijk Duitse, kunstenaars. Die van Niki de St.-Phalle is het mooist. De roodgelakte nagels van de vrolijke fantasievogel krommen zich om het ijzeren plateau heen. 'Levensredder' heet hij, en hij breidt tegelijk enthousiast en beschermend zijn armen uit, terwijl een vrouw met hartjes op haar dikke billen zich aan hem vastklampt. Alles is even ongematigd aan dit beeld.