Weeber snapt niets van situatie te Paramaribo

Eind juni bracht Carel Weeber, voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA), voor het eerst van zijn leven een bezoek aan Paramaribo. Twee maanden en een grote brand later heeft hij zijn oordeel klaar: de nieuwbouw van de Nederlandse ambassade is een blunder, maar geen nood. De fout kan inmiddels goedgemaakt worden met een plan dat hijzelf bedacht heeft voor de afgebrande regeringsgebouwen (NRC HANDELSBLAD van 8 augustus). Zijn buitengewoon ongenuanceerde stukje kan eenvoudig niet genegeerd worden.

Iedereen die zich ook maar even verdiept in Suriname, weet dat de maatschappelijke situatie er sterk getekend is door de precaire verbindingslijnen met Nederland. In alle politieke commentaren zijn deze zowel letterlijk als tussen de regels te lezen en de literatuur is erin geworteld. Nederlandse ooggetuigen voelen zich in hun verslagen altijd genoodzaakt hun betrokkenheid te combineren met gepaste afstandelijkheid.

Alles draait om de identiteit van Suriname en van de Surinamer. En omdat identiteit te maken heeft met toekomstverwachtingen, is de economische component (werkgelegenheid, investeringsklimaat, kortom: geld) van groot belang. Teneur daarbij is, dat Nederland een historische plicht heeft te helpen, zonder daar nog rechten aan te kunnen ontlenen: het uiteindelijke doel is natuurlijk een in alle opzichten zelfstandige Surinaamse staat.

In dit ontwikkelingsproces worden vanuit Suriname directe verzoeken aan Nederland gericht en kan ook Nederland initiatieven ontplooien. Maar steevast is er, bij ieder project en van beide kanten, de bijna panische vraag: kan het wel? Tast het de nieuwe relatie niet aan? Is het geen terugval in oude koloniale verhoudingen? In dit licht moet de nieuwe Nederlandse ambassade beoordeeld worden.

Dat zes jaar geleden besloten is de ambassade en het consulaat in een nieuw gebouw onder te brengen, is geen ramp, want Paramaribo heeft evenveel behoefte aan goede nieuwbouw als aan restauratie van het erfgoed. De lokatie van het gebouw is helemaal niet zo slecht: enigszins achteraf maar niet te ver van het regeringscentrum. De keuze voor de architecten Lafour & Wijk lag indertijd zeer voor de hand omdat zij èn tot de vooraanstaande Nederlandse architecten behoren èn eerder in Suriname werkten. Doordat de realisatie het resultaat is van een grote gezamenlijke inspanning van Nederland en Suriname, kunnen Nederlanders èn Surinamers trots zijn op het prachtige gebouw dat ondanks zijn afwijkende vorm goed is ingepast in zijn omgeving.

Sinds het moment waarop het gebouw voltooid werd, gebeurt precies wat verwacht kon worden. De nieuwbouw wordt op een schaaltje gewogen en de reacties lopen zeer uiteen. De ene Surinamer vindt het gebouw prachtig, zonder meer. De ander vindt het mooi maar verkeerd gesitueerd. De derde zegt: “Zie je wel, daar heb je de Hollanders weer”. Politici (en in hun kielzog de Nederlandse journalisten die het gezien hebben) vinden het gebouw toch te nadrukkelijk aanwezig. Sommige Surinaamse collega's van Lafour & Wijk voelen - best begrijpelijk - enige jalousie de métier en beklagen zich over de architectenkeuze; andere architecten hebben daar minder problemen mee. Het gebouw is het een èn het ander. Vervloekt en bespot als symbool van de vroegere machthebbers maar ook al bezongen (door dichter Michaël Slory): “Het is niet in de tijd terug. Het zijn vleugels naar nieuwe tijden.”

Verrassend is dat vorige week ook de voorman van de BNA - ongevraagd en om redenen die niet aangegeven worden - gemeend heeft met een gênante scheldpartij te moeten komen. De ambassade “staat pompeus naast de twee schooltjes in een zijstraatje zowat in de achtertuin van het afgebrande Assembleegebouw. Het gebouw epateert, staat op goedkope grond en lijkt betaald met uitgespaard ontwikkelingsgeld. (...) Dit ambassadegebouw, dat als Provinciehuis van het Groene Hart niet zou misstaan, spiegelt (een) neo-koloniale mentaliteit.”

Deze combinatie van fouten en tendentieuze verdraaiingen, wordt gevolgd door een bijna nog ergere uitspraak. Weeber meent dat de Nederlandse staat Suriname ter compensatie “een nieuw gebouw van de Nationale Assemblee moet schenken” (waarom nu géén oud pand opknappen, zoals volgens Weeber in het geval van de ambassade de voorkeur had moeten krijgen?). En Nederland moet ook de restauratie van het afgebrande gebouw financieren. Geheel in de lijn van de koloniale traditie heeft Weeber daarbij direct een plan: vanachter zijn bureau in Nederland beslist hij dat de nieuwbouw tegenover het presidentiële paleis moet komen en situeert hij in het gereconstrueerde monument het ontvangstcentrum van de Nederlandse ambassade (waarmee hij deze laatste in feite aan het plein legt dat voor Suriname nu juist het symbool is van de onafhankelijkheid).

Weeber snapt niets van de situatie in Paramaribo. Zijn pleidooi voor geld uit Nederland is overbodig, want dat is al in zekere zin toegezegd (niet als compensatie inzake de ambassade natuurlijk, want er valt niets te compenseren). En aan plannen voor de restauratie van Paramaribo, respectievelijk aan een structuurplan voor de stad, wordt al geruime tijd zorgvuldig gewerkt. Dat uitgerekend degene die de belangen van de Nederlandse architect moet behartigen, zichzelf meent te moeten profileren door met enkele pennenstreken een hele reeks Surinaamse en Nederlandse onderzoekers en ontwerpers te beledigen en als oud vuil opzij te schuiven, is om te huilen.

Bouterse had groot gelijk toen hij een voetbalwedstrijd op TV belangrijker achtte dan een afspraak met deze voorzitter van de BNA.