Vernielde tuinbeelden in Delft blijken 17de-eeuwse sculpturen van Verhulst

DELFT, 15 AUG.Het beeld van de Egyptische koningin Cleopatra gaat half verscholen achter takken. Hoofd en armen ontbreken, evenals de dodelijke slang die zij tegen haar borst gedrukt houdt. Haar zandstenen lichaam is verweerd en bemost. Op een andere plek in de tuin van het Delftse Museum Het Prinsenhof staat Lucretia, de Romeinse die zichzelf doodde nadat ze was onteerd.

Ook háár armen zijn verdwenen. Van de dolk waarmee ze zich doorboorde is alleen de punt over. Haar hoofd is er nog wel: het is smartelijk opzij gedraaid. Vroeger stonden de twee tuinbeelden op een prominente plaats tegenover elkaar. Maar nadat in 1980 en 1985 vandalen op de beelden hadden ingehakt, zijn ze naar een bescheidener plek verwezen. Ten onrechte, meende de Delftse architect Teun van Staveren (44), die zich het lot van de wegkwijnende beelden aantrekt.

Door hem ingeschakelde kunsthistorici kwamen onlangs tot een verrassende conclusie: de twee tuinbeelden zijn ouder en van veel groter kunsthistorische waarde dan gedacht. Het museum, dat de ongesigneerde kunstwerken in 1949 aankocht, had ze gedateerd in de 19de eeuw. Nu blijkt dat ze vrijwel zeker stammen uit het eind van de zeventiende eeuw en wel uit het atelier van de beeldhouwer Rombout Verhulst (1624-1698). Verhulst maakte onder andere decoraties in het paleis, destijds het raadhuis, op de Dam. Hij is ook bekend door zijn marmeren portretbustes en grafmonumenten waaronder dat van Maarten Tromp in de Oude Kerk in Delft en van Jan van Galen en Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Cleopatra en Lucretia vertonen in stijl en uitvoering grote verwantschap met andere tuinbeelden van Verhulst, waaronder een Flora in Museum Kröller-Müller, en Het Lot en De Voorzichtigheid uit het Rijksmuseum.

“Ze horen tot de mooiste sculpturen die aan het eind van de zeventiende eeuw in Nederland zijn gemaakt”, zegt de Amsterdamse kunsthistoricus drs. P.M. Fischer, gespecialiseerd in sculptuur van de 17de en 18de eeuw, over de Delftse beelden. Hij kent ze al sinds de jaren zestig en had er altijd grote bewondering voor. “Ik twijfelde al direct aan de datering, maar plaatste ze eerst tussen 1690 en 1740. Het zijn klassieke beelden van een Romeinse schoonheid. Zelfs in deze beschadigde toestand zouden ze een betere plaats verdienen. In Rome staan ook onthoofde beelden zichtbaar langs de weg.”

Beeldenexpert F.T. Scholten van het Rijksmuseum in Amsterdam kwam tot dezelfde conclusie als Fischer. “We denken dat ze zijn ontworpen door Verhulst en dat leerlingen ze in zijn atelier onder zijn ogen hebben afgemaakt. Dat was heel gebruikelijk in die tijd”, zegt Fischer. “Het zijn allebei meesterwerken. De twee beelden zijn heel verschillend van karakter, maar vormen duidelijk een koppel. Lucretia maakt dramatisch, met intense droefheid een eind aan haar leven. Cleopatra heeft een prachtige trotse houding en straalt gelatenheid uit. Dat komt ook in de kleding tot uitdrukking. Bij Lucretia golft de kleding wild om het lichaam, het kleed van Cleopatra hangt rustig naar beneden. Je kunt daar twee verschillende makers in zien, maar het kan ook de bedoeling van de ontwerper zijn geweest. Ik denk dat Verhulst bewust twee temperamenten heeft willen uitdrukken: het sanguinische van Lucretia en het flegmatische van Cleopatra.”

Deze oorspronkelijke bedoeling is door het werk van de vandalen grotendeels verloren gegaan. Een restauratie waarbij de ontbrekende delen worden gereconstrueerd, zou de karakters die de beelden uitdrukken weer zichtbaar kunnen maken. “Anders zijn het naamloze rompen”, zegt Van Staveren.

Een medewerker van Monumentenzorg heeft de Amersfoortse restaurateur Ton Mooy aangeraden, die voor ruim 30.000 gulden de beelden in de vroegere staat terug kan brengen. Dat gebeurt met zandstenen reconstructies die zo nodig later weer kunnen worden verwijderd. Een getrouwe reconstructie is mogelijk dankzij Fischer, die in de jaren zestig de nog onbeschadigde beelden van alle hoeken heeft gefotografeerd. Het museum zelf beschikte niet over foto's, en ook niet over verder documentatiemateriaal.

Van Staveren is een zoektocht naar de herkomst van de beelden begonnen, nadat hij twee jaar geleden met enkele vrienden een in 1884 gebouwd pand in Delft had gekocht. Het huis had toebehoord aan Hugo Tutein Nolthenius, directeur van de Nederlandse Oliefabrieken, de voorloper van Calvé. Tutein Nolthenius had een belangrijke kunstverzameling. Waar de Delftse architect nu zijn keuken heeft, hingen vroeger De Aardappeleters van Van Gogh. Op zoek naar de geschiedenis van het pand stuitte Van Staveren op foto's van een enorme, parkachtige tuin achter het huis. Daar stonden tot zijn verbazing Cleopatra en Lucretia, aan weerszijden van het hoofdpad. Ze waren er geplaatst in 1911 toen de bekende tuinarchitect Leonard Springer de tuin aanlegde. De twee beelden werden herplaatst toen in 1929 een groot deel van de tuin moest wijken voor een trambaan. De nazaten van Tutein Nolthenius verkochten in 1949 de beelden aan Museum Het Prinsenhof.

Van Staveren heeft een prijs van duizend gulden uitgeloofd voor degene die het hoofd van Cleopatra terugbezorgt. Ook de vinder van de armen kan op duizend gulden rekenen. Het museum heeft in het depot nog brokstukken van een van Lucretia's armen, maar de andere ontbrekende delen zijn spoorloos. Het is niet uitgesloten dat ergens op een schoorsteenmantel een stuk arm of een vrouwenhoofd staat waarvan niemand weet wat het voorstelt. Ook als er niets boven water komt, hoopt Van Staveren de betrokken instanties te overtuigen van de noodzaak van een restauratie.

Of dat lukt, is de vraag. Hoofdconservator M. Kersten van Het Prinsenhof staat huiverig tegenover het idee van een reconstructie: “Het gaat ons in eerste plaats om conservering, om ze voor verval te behoeden. We zitten met achterstanden en moeten eerst enkele kostbare 17de-eeuwse weefsels zien te behouden, die dreigen te vergaan. Op dit moment hebben de beelden geen prioriteit.”