Uitvinders

Demonstratief vraagt hij: “Wilt u uw koffie sterk? Met de Quooker kun je hem zo sterk of slap maken als je maar wilt.” Ir. Han Peteri (78) is de uitvinder van een kraan waar kokend water uitkomt. We bevinden ons in de ontvangstruimte van een bedrijfsgebouw in Ridderkerk, waar langs een van de muren een keukenblok met een Quooker (Quick-Cooker) staat. In het gootsteenkastje staat een boiler van 40 centimeter hoog.

“Zo klein dat hij achter elk vuilnisemmertje weggestopt kan worden.' Han Peteri is een lange, magere man met pretoogjes vanachter brilleglazen. Hij praat bedeesd en maakt een aimabele indruk.

De Quooker is vier jaar op de markt. “We verkopen er jaarlijks enkele duizenden, tot nog toe alleen in Nederland, onder andere aan de horeca. Hij kost 1.400 gulden en de productie verdubbelt jaarlijks.” Peteri zegt zich meer te beschouwen als een gelukkige ondernemer dan een uitvinder, “maar ik heb op een verwende managementplek in het bedrijfsleven de slechtste opleiding tot startende ondernemer gehad. Je weet niet eens dat het tijd kost om een postzegel op een brief te plakken.”

Peteri: “Ik werkte bij Unilever en op een gegeven moment, eind 1970, werd me gevraagd wat ik van instant-soep vond, de latere cup-a-soup, wat toen alleen nog maar een handje gruis was. Het idee kwam van Lipton in New York. Je vraagt je af: hoe zit het met oxydatie-stabiliteit, bacteriologische eigenschappen, enzovoort. Tot mijn stomme verbazing bleek het binnen vijf seconden opgelost te zijn. Ik dacht: wat dwaas. Dan heb je soep in vijf seconden, maar pas na vijf minuten kokend water. Toen realiseerde ik me dat het handig was om thuis kokend water te hebben.”

Petree was hoofd van de continentale research-organisatie, van laboratoria in Vlaardingen, Duiven, Hamburg en St Denis. Toen ze werden samengevoegd met de Engelse laboratoria ging hij weg bij Unilever. “Met het idee: ik ga die kraan ontwikkelen. Ik dacht dat je met drie ton wel een eind zou komen. Ik maakte thuis in de kelder wat apparaatjes en een aantal buurvrouwen en kennissen probeerden ze uit.”

Het idee leek simpel uitvoerbaar: “Het was amper meer dan een boiler bij hogere temperatuur laten werken. Maar daarna kwamen de problemen: de thermostatische regeling, afdichtingsmaterialen die niet goed tegen hogere temperatuur kunnen en corrosie. Achteraf gezien had ik beter meteen een apparatenfabriekje kunnen kopen. Ik moest het huisgezin financieel op gang houden. Ik werkte als adviseur en werd gedelegeerd commissaris van een nagenoeg failliet bedrijf. Daarnaast ben ik jarenlang voorzitter geweest van de Commissie Onderzoek en Ontwikkeling van het VNO en NCW en ik was bestuurslid van innovatiecentrum ID-NL.”

Volgens Peteri vormt Quooker als bedrijf een grote uitzondering: “We hebben een bedrijf weten op te zetten op basis van een vinding. Slechts één promille van alle vondsten leidt tot een commerciële exploitatie. Ik heb drie patenten voor de Quooker: het basisoctrooi op een boiler voor boven de honderd graden, die is verlopen, één op het verbeteren van het boilerreservoir en één op het nadruppeleffect, zodat al het water uit de leiding loopt en je snel kokend water krijgt. Er zitten nog twee octrooien in de pijpleiding, die we achter de hand houden om niet te snel uit de markt geduwd te worden. We kunnen niet de hele wereld van kokend water voorzien. Dus moeten we naar licenties en andere samenwerkingsvormen toe. In Amerika zijn kranen die steaming-hot-water leveren, met een temperatuur van 98 graden, maar daar kun je geen lekkere thee en koffie mee maken. Bij de Quooker heb je het ouderwetse idee dat het water even goed doorgekookt heeft. In de boiler is het water 110 graden, als het uit de kraan komt 100 graden.'

We lopen de productieruimte binnen die niet groter is dan twintig bij twintig meter, opgedeeld in enkele machinestraten met frees- en boormachines, schaaf- en draaibanken: 'Er werken veertien mensen bij Quooker. Dit gebouw is drie keer zo groot als ons vorige gebouw, tegen dezelfde kosten. De machines hebben we bij elkaar gesprokkeld. Deze draaibank is goed, maar vijftien jaar oud.” In een aangrenzende ruimte, achter een glazen ruit, werkt een man in overall aan machinerie voor het verbeterde productieproces: “Dat wordt onze toekomst.”

Ir. Peteri heeft zes kinderen. Twee zonen, die beiden rechten gestudeerd hebben, werken bij Quooker BV. Walter (32) zit achter zijn bureau in een van de kantoorvertrekken. Hij werkt sinds drie jaar in het bedrijf en doet de commerciële bedrijfsvoering. Niels (35) werkt al sinds tien jaar met zijn vader samen. Hij heeft het huidige kraanmodel ontworpen en neemt de productie voor zijn rekening. Peteri senior: “Het is als oudere een zegen dat je mag doorwerken aan dingen die je leuk vindt. Ik hou me nog bezig met octrooien, ik denk mee over de ontwikkeling van het product zelf, over de investeringen en over het management. Ik ben eerder een ideeënman, knutselen is voor mij en noodzakelijk kwaad. Niels is de betere ingenieur.” Niels: “Mijn vader heeft een fabriek met 2.000 man gerund in Indonesië en heeft dus een schat aan ervaring. Laatst las ik in The Economist dat kenmerken van nieuwe producten zijn dat ze in het begin onbetrouwbaar, duur en beperkt zijn qua mogelijkheden. Wij komen nu uit die fase; de reacties van de gebruikers zijn buiten proporties. Dit is nog echt een vinding van een privé-persoon, die binnen 25 jaar wereldwijd in miljoenen huishoudens gebruikt wordt.”

Veertien dagen later ontmoet ik Han Peteri thuis, een villa in Kralingen. We lunchen samen met zijn vrouw in de erker van een woonkamer. Peteri over zijn jeugd: “Mijn vader was hoofd van een Rotterdamse school, een erg intelligente man; het ambitieuze heb ik van mijn moeder. Mijn broer was twee jaar ouder en erg geïnteresseerd in techniek. We knutselden veel met radio's en met stoommachientjes en een speelgoedtrein die op stoom liep. Als kleine jongen had ik al het idee dat het prettig zou zijn een fabriek te hebben.”

Als Delfts natuurkunde-student vocht hij in mei bij Delft tegen Duitse parachutisten: “Samen met mijn broer ben ik, nadat Delft na studentenstakingen was gesloten, in een kano naar Engeland overgestoken, van Katwijk naar Ipswich, om me bij de geallieerden aan te sluiten.” Vanaf 1941 voer hij voor de Nederlandse marine. ”Omdat ik in Delft een tentamentje radiotechniek had gedaan, werd ik verantwoordelijk voor de radarinstallatie. Met enige technische hulp zorgde ik ervoor dat het zenden en ontvangen via één antenne liep, zodat je met een mast minder kon, de achtermast, en er een aantal mitrailleurs extra geplaatst konden worden.”

Over het experimenteren met boilers en kranen in de kelder: “Op het laatst, in 1989, werkten ik hier met Niels en twee gepensioneerde heren.” In een eerste, kleine ruimte van de kelder liggen nog onderdelen van thermostaten: “Ik kom hier nooit meer.”