Spaarzin van consument met raadselen omgeven

Nederlanders zetten in het eerste halfjaar voor een recordbedrag van bijna 11 miljard gulden spaargeld opzij. Maar voor beleggingsfondsen bestaat weinig animo. Toeval of trend?

AMSTERDAM, 15 AUG. Zijn Nederlandse spaarders en beleggers massaal verblind door een dwaallicht? Zij zetten het afgelopen halfjaar 8,6 miljard gulden op spaarrekeningen, en over hun oude en nieuwe spaartegoeden betaalden de banken nog eens 2,2 miljard rente. Maar extra geld steken in beursgenoteerde beleggingsfondsen, die inmiddels meer rendement opleveren dan spaargeld? Ho, maar. Alles bij elkaar maar 2,6 miljard gulden nieuwe inleg bij de beleggingsfondsen, iets minder dan de eerste helft van vorig jaar, nog geen kwart van de eerste zes maanden van 1994.

Opmerkelijk is dat de inleg bij beleggingsfondsen een licht negatieve samenhang vertoont met het behaalde rendement van de fondsen: als particulieren veel geld in de fonsen staken, viel het rendement tegen, en als ze er vervolgens weinig in belegden, steeg het rendement juist. Dat zou aanleiding kunnen zijn voor enig leedvermaak, ware het niet dat het onbekend is hoeveel particulieren op eigen houtje beleggen in plaats van via de beursgenoteerde beleggingsfondsen die het CBS registreert. Beursvoorzitter B. baron van Ittersum meldde begin dit jaar trots dat de 'doe het zelf' beleggers weer terug zijn op de beurs, en dat de beleggingsfondsen terrein verliezen. Sommige bankiers vermoeden dat de groei van spaargeld deels voortvloeit uit acties van particuliere beleggers die koerswinsten hebben genomen op hun effectenportefeuille.

Het CBS telt ook de populaire beleggingsverzekeringen niet mee: individuele besparingen via levensverzekeringen, koopsompolissen en andere vormen van 'verzekerd beleggen' die de laatste jaren enorm in trek zijn. Het geld van deze polissen wordt doorgaans in beleggingsfondsen gestoken, maar die zijn niet aan de beurs genoteerd, en vallen daardoor buiten deze statistiek. Dat is jammer, want deze beleggers zijn noodgedwongen vaste klanten. Van een terugtrekking na een teleurstellend jaar kan hier geen sprake zijn: de particulier heeft veel minder zicht op de waarde-ontwikkeling van deze beleggingen en kan er veel moeilijker, of meestal niet, uitstappen. Er zitten meer addertjes onder het gras van het historische spaargedrag. Zo zijn nu meer werkers, het aantal afgesloten hypotheken stijgt eveneens en het bedrijfssparen blijft populair.

Ter toelichting: de banengroei. Rabo-econoom P. van de Ven wijst er op dat het vooral de gestegen loonsom kan zijn die het spaargedrag bevordert. Hoewel de lonen de afgelopen jaren slechts bescheiden stegen, heeft de forse toename van de werkgelegenheid ervoor gezorgd dat het totale loonbedrag dat bij gezinnen binnenkomt sterk is toegenomen. Die toename is terug te vinden in de stijging van de particuliere consumptie in de eerste helft van dit jaar, maar ook in het bedrag dat vrijkomt om te sparen of te beleggen.

Van de Ven wijst erop dat toetreding tot de arbeidsmarkt het inkomen van een huishouden gemiddeld met 40 procent verhoogt. “Juist over dat extra bedrag zal verhoudingsgewijs veel gespaard worden.”

En dan zijn er de calculerende huizenbezitters: zij verhogen hun hypotheek om te profiteren van de gestegen waarde van hun woning, terwijl de rente ook nog eens is gedaad, zodat de netto extra woonlasten gering zijn. Het aantal hypotheken tot 50.000 gulden steeg in het eerste kwartaal met 67 procent. Onderzoekers vermoeden dat het om hypotheekleningen gaat die onder meer worden gebruikt voor woningverbetering. De bulk van het geld staat tijdelijk geparkeerd op een spaarrekening totdat de verbouwing begint.

De fiscaal attractieve bedrijfsspaarregelingen werken ook nog steeds als een magneet. Een CBS-medewerker schat het bedrag dat in het eerste halfjaar naar deze bedrijfsspaarregelingen is gestroomd op ongeveer 2 miljard gulden.

En er is de factor teleurstelling. Het CBS wijt de terugval in nieuwe inleg in beursgenoteerde beleggingsfondsen aan een naijl-effect van het tegenvallende beleggingsjaar 1994. Als dat klopt, is het geen trend die over de hele linie bij beheerders van beleggingsfondsen te zien is. Marktleider Robeco zag in het eerste halfjaar wel geld verdwijnen uit zijn toonaangevende aandelen- en obligatiefondsen, maar ABN Amro, nummer twee op de markt, boekt nog steeds groei.

Robeco, en zijn nieuwe grootaandeelhouder Rabobank, vormen overigens nóg een verklaring voor de tegengestelde beweging tussen sparen en beleggen. In 1992 kwam de samenwerking tussen beide instituten op gang, waarbij Rabo-klanten steeds massaler in Robeco-fondsen gingen beleggen. Een beweging met grote gevolgen, want de Rabobank heeft een marktaandeel van 40 procent op de spaarmarkt. De alliantie resulteerde in 1993 en 1994 in een miljardenstroom naar Robeco. Het totale spaarbedrag bij banken viel in die jaren door het Rabo-effect terug naar een laag niveau, terwijl de inleg in beleggingsfondsen (Robeco) juist sterk opliep. Vorig jaar en in de eerste helft van dit jaar is die beweging stil gevallen. De Rabo-spaarders houden, teleurgesteld door Robeco's prestaties, hun geld maar weer liever op rekeningen bij hun huisbank.

    • Maarten Schinkel
    • Menno Tamminga