Oestrogeen en progesteron voorkomen hart- en vaatziekte

Onderzoek naar het effect van oestrogeensubstitutie bij vrouwen na de menopauze heeft onomstotelijk aangetoond dat deze therapie niet alleen helpt tegen botontkalking (indien jaren volgehouden), maar ook de kans op hart- en vaatziekten aanzienlijk vermindert.

Een probleem hierbij is dat deze conclusie overwegend gebaseerd is op een behandeling met alleen oestrogeen hormoon, terwijl tegenwoordig vrouwen die hun baarmoeder nog bezitten, daarnaast ook periodiek progesteron gebruiken. Dat tweede hormoon is noodzakelijk, omdat anders onder invloed van de voortdurende stimulerende invloed van oestrogeen in het verdikte baarmoederslijmvlies kanker kan ontstaan. Progesteron veroorzaakt een onttrekkingsbloeding (menstruatie). Er waren aanwijzingen dat de toevoeging van progesteron het nuttige effect van oestrogeen op hart en vaten te niet doet. Dit blijkt echter niet het geval. (The New England Journal of Medicine, 15 aug)

In het Amerikaanse onderzoek werden drie groepen oudere vrouwen met elkaar vergeleken: een groep die geen substitutietherapie kreeg, een groep die alleen oestrogeen kreeg en een groep die een combinatie van oestrogeen en progesteron slikte. Het gaat hier om een analyse die gebaseerd is op de Nurses' Health Study, een prospectief onderzoek van de Harvard universiteit in Boston. Het loopt al sinds 1976 en er nemen ruim 120.000 verpleegsters aan deel. Bijna 60.000 van deze vrouwen zijn intussen in de menopauze beland. De helft daarvan gebruikt (of gebruikte) oestrogeen, waarvan een kwart daarnaast ook nog progesteron. Na een observatieperiode van 16 jaar waren er onder de oudere verpleegsters 770 hartaanvallen en sterfgevallen aan hartziekte voorgekomen. De kans daarop bleek door oestrogeengebruik met 40% verminderd en dat gold ook voor de groep die daarnaast progesteron slikte. Vorig jaar werd dezelfde conclusie getrokken in een ander onderzoek onder 875 vrouwen (de zogenoemde PEPI-trial). Het lijkt dus aannemelijk dat de toevoeging van progesteron aan de oestrogeensubstitutietherapie het beschermende effect op hart- en vaatziekte niet vermindert.

Voordat vrouwen na de menopauze vanwege deze gunstige resultaten enthousiast naar hun dokter rennen voor hormoonsubstitutie, is het wellicht goed te wijzen op een commentaar uit 1995 bij de bovengenoemde PEPI-trial (Journal of the American Medical Association 1995;273:199-208, commentaar: 240-1). Daaruit blijkt dat het nog steeds onduidelijk is hoe lang een vrouw hormonen moet slikken of plakken om zichzelf te vrijwaren voor hart- en vaatziekte: 3 jaar, 10 jaar of misschien zelfs haar hele verdere leven? De nu gepubliceerde Harvard-studie laat zien dat het nuttig effect bij vrouwen die stoppen met de hormoonsubstitutie na 3 tot 5 jaar is gehalveerd. Het effect ebt dus geleidelijk weer weg.