Moslims stierven niet in reguliere gevechten

'Waar blijft het bewijs voor genocide in Srebrenica', vroegen Abe de Vries en René Grémaux (Opiniepagina 18 juli), één week nadat het Joegoslavië-tribunaal een hernieuwde aanklacht wegens genocide tegen Karadzic en Mladic formuleerde. Wim Notenboom heeft bezwaar tegen het betoog van De Vries en Grémaux.

Zonder één moment concreet in te gaan op de motivering van de hernieuwde aanklacht tegen Karadzic en Mladic en de verificatieprocedures die eraan ten grondslag liggen, menen De Vries en Grémaux - twee voormalige medewerkers van de Joegoslavië-opleiding van de landmacht in Ossendrecht - dat er toch voldoende redenen zijn om te twijfelen aan de omvang van de massamoorden rond Srebrenica. Zij vragen zich af of er dan nog wel van genocide mag worden gesproken.

De eerste twijfel die hun beschouwing echter oproept, is of zij wel op de hoogte zijn van het verschil tussen oorlogsmisdaden en genocide. De omvang van een massamoord is immers bij de bewijsvoering van genocide van minder belang dan het bewijs van een weloverwogen streven naar de gehele of gedeeltelijke vernietiging van een religieuze, nationale, etnische of raciale groepering als zodanig. Dit vermoede oogmerk, de 'intent to destroy', bepaalt of een aantal afzonderlijke oorlogsmisdrijven wordt samengevoegd en beoordeeld als systematisch uitvloeisel van een en hetzelfde misdadige streven. Vanuit dat oogpunt kunnen de moorden, waarvan ook de auteurs wel aannemen dat zij hebben plaatsgevonden, in direct verband worden gebracht met de deportatie van vrouwen, kinderen en bejaarden, de vernietiging van religieus erfgoed, vernietiging en roof van persoonlijke eigendommen, marteling, verminking en verkrachting, wat ook een marteling is. 'Het toebrengen van ernstige lichamelijke en geestelijke schade aan leden van de (vervolgde) groepering' valt immers onder het begrip genocide en de strafbaarstelling ervan.

Een andere twijfel betreft de methode van de auteurs. Aan de hand van een viertal getuigenverklaringen van overlevenden van de tocht naar Tuzla, pogen zij aan te tonen dat de meeste vermisten van die tocht tijdens reguliere gevechten met de Serviërs zijn omgekomen. De Vries en Grémaux spreken zelfs van 'zware gevechten'. Maar wie de door hen geciteerde bronnen leest, komt tot een andere conclusie: een lichtbewapend legertje op de vlucht, zonder logistiek, met zorg voor gewonden en burgers, gaat geen grote gevechtshandelingen aan; het is bovendien gemakkelijk door spervuur te verspreiden en in grotere of kleinere groepen te isoleren. Dat is het beeld dat uit de citaten naar voren komt. Die spreken op z'n best van schermutselingen en in een enkel geval van een overval van moslim-zijde, zoals verhaald door de arts Pilav in het boek Srebrenica: getuigen van een massamoord van Bob van Laerhoven.

Verder was het inderdaad dood en verderf, want de 'dun bezette linies' van de Serviërs waren in werkelijkheid goed opgestelde eenheden bij strategische weg- en waterovergangen, passen en dalen, met een overmacht aan vuurkracht op de vluchtenden. De getuigen spreken dan ook zelf van vele slachtoffers, angst, uitputting, krankzinnigheid, zelfmoord en... overgave. Dit laatste nu kunnen De Vries en Grémaux maar moeilijk accepteren. Dat velen op die tocht zijn omgekomen, is hun niet genoeg. Om het dodental van de 'zware gevechten' nog op te voeren, bedienen zij zich van het volgende argument: 'Krachtens een maatregel van de moslim-leiding waren alle mannen in Srebrenica van 17 tot 60 jaar dienstplichtig en was het hen uitdrukkelijk verboden zich over te geven. (...) De mannen weigerden zich over te geven en werden daarom door de Serviërs als vijanden beschouwd.' Daarom? Zouden er geen dwingender redenen geweest zijn?

Waarom zwijgen De Vries en Grémaux over het geheime akkoord tussen generaal Mladic en generaal Rupert Smith op 19 juli 1995, waarin de moslim-gevangenen de status van krijgsgevangene werd onthouden? Waarom laten zij bovendien in het door hen uitvoerig geciteerde interview van Julian Borger van The Guardian met enkele overlevenden, juist die passage weg die licht werpt op de huiver van de moslims zich over te geven? Die passage luidt: ''s Nachts hoorden we de Serviërs. Ze riepen door hun megafoons dat wij ons moesten overgeven,' zegt Avdo Softic (33). Maar overgave was uitgesloten, nadat een soldaat had verteld hoe hij was ontsnapt aan een bloedbad bij Konjevic Polje, waar zeventig Moslim-gevangenen werden gedood.' (de Volkskrant, 19 juli 1995).

Het betoog van De Vries en Grémaux wordt nog verraderlijker wanneer zij de geloofwaardigheid van belangrijke getuigen voor het Joegoslavië-tribunaal in twijfel trachten te trekken en daarbij niet schromen de protectie te schenden die een van die getuigen door het tribunaal gegeven is. Dat protectie door anonimiteit niet lichtzinnig door het tribunaal gegeven wordt, is vorig jaar (3 oktober) al eens in deze krant uit de doeken gedaan door Ian Guest, rapporteur over ontstaan en werkwijze van het Joegoslavië-tribunaal. Hij bracht daarbij onder de aandacht dat de arrestatie van de verdachte Tadic, in Banja Luka is gevolgd door een aantal moordaanslagen op familieleden van hen die hem in Duitsland hadden herkend. Aan deze overwegingen hebben De Vries en Grémaux zich niets gelegen laten liggen: achteloos geven zij de identiteit van getuige 'A' prijs. Waarom eigenlijk?

De auteurs suggereren, door middel van een terloopse nevenschikking, dat de eerste berichten en getuigenverklaringen van massa-executies geheel en al onder Amerikaanse regie tot stand zijn gekomen - 'vlak voordat het door de Amerikanen getrainde Kroatische leger begon met de zuivering van meer dan 200.000 Serviërs uit de Krajina'. In werkelijkheid kwamen de eerste berichten en geruchten juist uit Servische bron. Nog afgezien van de berichtgeving in The Independent, waarin Robert Block verslag deed van de verhalen die in het Servische plaatsje Ljubovija de ronde deden over massa-executies in het naburige Bratunac aan de overzijde van de Drina, waren de eerste sinistere aanwijzingen al vrij spoedig na de val van Srebrenica op de Nederlandse televisie te zien, toen de NOS beelden uitzond van het Servische propagandafilmpje van Zoran Petrovic. Wie herinnert zich niet die wat oudere, doodsbange man, die naderbij wordt gesommeerd en gevraagd of hij soms bang is? En de grote groep mannen gezeten op een veld in de brandende zon met gewapende Serviërs om hen heen? Wijzend naar die laatste beelden, verklaarde Petrovic in Belgrado tegenover de verslaggeving van deze krant (26 augustus '95): 'In totaal hebben onze strijdkrachten 2.000 moslims afgemaakt. Hier op deze plek zo'n vijfhonderd.'

Het is niet de eerste keer dat het parti pris van de auteurs de aandacht trekt. Uitgerekend op de dag waarop Srebrenica onder de voet werd gelopen, verscheen op deze pagina een artikel van hun hand, waarin met eenzelfde bedrieglijk vertoon van documentatie werd betoogd, dat in Nederland nooit een nuchtere gedachtenwisseling over de oorlog had plaatsgevonden, de westerse pers geheel en al naar de pijpen van de Bosnische regering zou dansen, 'de Serviërs de media-oorlog (hadden) verloren, als zij die al ooit zijn aangegaan', en dat 'onder druk van de media (...) het Westen een volstrekt onkritische houding (had) aangenomen jegens de machtsaanspraken van de moslim-regering.' (NRC HANDELSBLAD 11 juli '95) Wie twaalf dagen later met groeiende schaamte het ontkenningsgedrag van Nederlandse VN-officieren gadesloeg, kon bij dit artikel te rade gaan. Het roept nog steeds ernstige vragen op. De schrijvers waren immers, als voorlichter en organisator van de Joeslavië-cursus van het Centrum voor Vredesoperaties van de landmacht in Ossendrecht, verantwoordelijk voor de vormgeving van de neutraliteitsinstructie waarmee de mannen en vrouwen van Dutchbat naar Bosnië zijn gezonden.

De vijandige gezindheid van het Dutchbat-personeel jegens de bevolking van Srebrenica wordt door de regering en de landmachtleiding verklaard door te wijzen op het vijandige gedrag van die bevolking zelf én het isolement waarin Dutchbat verkeerde. Hoeveel hiervoor moge spreken, toch kan dit niet de volledige verklaring zijn. En zelfs als gedeeltelijke verklaring schiet zij tekort, is zij niet meer dan een tautologie zolang de bevolking niet zelf als gelijke partner is erkend en gehoord. Dat dit vijandigheidscomplex meerdere wortels heeft, blijkt uit een opmerking van de generaal-majoor b.d. A.J. van Vuren in de Volkskrant van 2 september 1995, waarin hij zegt, dat in zijn diensttijd op het hoofdkwartier van Kiseljak iedereen anti-moslim was. Die staf verkeerde niet in het isolement en de omstandigheden van Dutchbat.

'Gevoelens van mensen laten zich niet commanderen,' merkte de generaal bij dezelfde gelegenheid op. Zeer waar. Maar zijn zij daardoor niet des te beter te bespelen door andere partijen in het geding? En, belangrijker, zijn zij niet even gemakkelijk op te wekken als te bestendigen wanneer zij door officieuze opinies van bovenaf bekrachtigd worden? En, nog belangrijker, worden deze gevoelens niet zelf normatief wanneer zij gesanctioneerd worden door een corrupte, want politieke neutraliteitsinstructie? Een instructie waarin de formele VN-regel te velde zodanig is omgekeerd dat een materiële stellingname zowel versluierd als gerechtvaardigd is. Dit alles onder het motto: 'Als de hele wereld, pers, parlement en publieke opinie, voor de Bosnische zaak is, dan kan alleen Servische propaganda de gewenste balans herstellen.'