In Liefde Bloeyende

DIT WAS EEN DAG...

Dit was een dag van heimelijk begeren, Van sterk verlangen en verholen lust. Nu wordt het avond, en nu komt de rust. En Gij zult tot mijn stiller harte keren. Zoals een vogel wegduikt in zijn veren, Door 't eigen trillend hart in slaap gesust, Een ademende zachtheid, onbewust Van alles wat zijn argloosheid kan deren, Gaf ik mij onvoorwaardlijk aan u over. Daar is geen schutsel dan uw liefde om mij. 't Liederlijk leven, wrede rauwe rover, Jaagt onophoudelijk aan mijn rust voorbij. Maar, veilig in de cirkel van uw tover, Ben ik gelukkig, en 't geluk zijt gij. Willem de Mérode (1887-1939)

De Mérode is een christelijk dichter en hij is een homoseksueel dichter, maar wat dan nog? Christen zijn of flikker, het is geen excuus om aan het dichten te slaan. 't Zijn eigenschappen die geen enkele relatie onderhouden met de kwaliteit van poëzie. De meest goddeloze, de grootste homohater kan een voortreffelijk dichter zijn - als hij voortreffelijk kan dichten.

Kwaliteit is, omgekeerd, niet altijd doorslaggevend voor een warme relatie tussen dichter en publiek. We zullen het kunnen billijken als een gelovig christen of een hater van homohaters het werk van zulke voortreffelijke dichters niet op zijn nachtkastje wil hebben. Dit laat evenwel het belang van de kwaliteit - zonder emotie, ideologie of boodschap - onverlet.

Maar als een dichter toevallig christelijk is kunnen we hem niet verbieden over zijn geloof te schrijven. Hij mag dat. Paradoxaal genoeg: graag zelfs. Hij is ten slotte een insider. We zullen juist meer dan gemiddeld nieuwsgierig zijn naar zijn religieuze onderdompeling en hoe hij zich daaruit naar boven worstelt. Idem dito voor de homoseksueel. 't Zou vreemd zijn als we hem vroegen te zwijgen over alles wat daarmee samenhangt. Hoe zou hij dát nu weer poëtisch oplossen?

Voorop bij Willem de Mérode staat dat hij een behoorlijk dichter is. Naar behoorlijke dichters zijn we benieuwd. Omdat hij aan die voorwaarde van behoorlijkheid voldoet wordt het voor ons de moeite waard naar verdere eigenschappen benieuwd te zijn. Alleen daarom. Het kwaliteitspaspoort maakt de weg vrij voor onze gluurderij. Door zijn poëtische talent wordt het interessant om te kijken hoe hij zich uit zijn christelijkheid en homoseksualiteit redt, liefst uit alletwee tegelijk.

Een gedicht als Dit was een dag... is voor die nieuwsgierigheid ideaal. Het gaat over zowel homoseksualiteit als geloof. Hoe pakt een dichter zoiets aan?

Dit was een dag van heimelijk begeren steekt De Mérode van wal. Een beetje weids, een beetje theatraal, zo van: welaan, dit was me het dagje wel. De sjibbolets heimelijk begeren en verholen lust maken ons duidelijk dat de dag in het teken stond van tegennatuurlijke pret.

Nu wordt het avond, en nu komt de rust. Dat die rust nu komt, het lijkt eerder geformuleerd als een zucht van opluchting dan als een voldongen feit. Dat tweemaal nu en die parmantige punt achter rust, het heeft iets weg van: ziezo, laat de rust er nu maar zijn. En Gij zult... zegt de dichter dan tot God. Haast als een imperatief klinkt het. En snel een beetje, alstublieft.

Er is sprake van een innige behoefte aan rust. Aan een moment van inkeer. Niet als boetedoening, maar als een op adem komen, als een stilte die het voorbije woeden betekenis geeft.

De dichter spreekt niet over schuld, maar over zwakte. Vandaar dat beeld van de vogel dat de tweede strofe beheerst. Eerst lijkt het een wat slappe echo van Willem Kloos (Zo als een vogel in de stille nacht Op ééns ontwaakt...) tot we begrijpen hoe letterlijk De Mérode dit beeld opvat. De vogel staat voor zijn opgejaagdheid en zwakheid. Voor zijn overgave en vertrouwen. Een vogel wil vliegen, maar heeft ook een nest nodig. Hij vindt dat nest -

Daar is geen schutsel dan uw liefde om mij. Dat klinkt stellig. De zwakte is kracht geworden. Daar praat zich iemand moed en vertrouwen in. De dichter is tot rust gekomen.

Lang kan zoiets niet duren. Opeens staat het er weer -

't Liederlijk leven - met allitererende kracht slaat het terug. Bij zoveel nestwarmte schiet de vogel het uitvliegen weer te binnen. Zijn dubbelbestaan is verre van opgeheven. Wrede rauwe rover, verwijtende woorden, maar wat klinken ze dubbelzinnig. Alle drie. Zoete lieve dief, had de dichter ook kunnen zeggen.

Nee, zijn overgave zal nooit volledig zijn. 't Liederlijk leven jaagt aan zijn rust voorbij, haalt zijn rust steeds weer in. Alleen 's avonds, in de cirkel van uw tover, is de dichter een ogenblik gelukkig. Door een ban die hij zelf oproept, een nest dat hij zelf bezweert. Het nest van zijn baas. De tover van het kunstlicht. Morgen is er weer een dag van heimelijk begeren.

's Avonds een geluk zonder verlangen, overdag een verlangen zonder geluk.

Hoe zalig en verschrikkelijk is dit, om uit een ander gedicht van De Mérode te citeren.