Groei-achterstand en vraatzucht als ziekte bij verwaarloosde kinderen

Emotionele verwaarlozing van kinderen kan leiden tot ernstige groei-achterstand. Maar vaak is ook de uitscheiding van groeihormoon afgenomen, zodat het lijkt of deze kinderen een hormonale stoornis hebben.

Britse kinderartsen beschrijven in The Lancet (10 aug.) een aantal karakteristieke gedragsafwijkingen die bij verwaarloosde kinderen kunnen voorkomen, zoals vraatzucht (hyperfagie) en abnormale dorst. De Britten stellen voor dit als een nieuw syndroom te beschouwen en het hyperfagische groei-achterstand (hyperphagic short stature) te noemen. Het is volgens de Britten van belang dat dit beeld te herkennen, omdat kinderen geheel kunnen herstellen als zij uit de gespannen gezinsomstandigheden worden verwijderd.

Kenmerkend voor het beeld van de hyperfagische groei-achterstand is een voor de lengte normaal lichaamsgewicht. De vraatzucht die deze kinderen vertonen, is dus niet louter het gevolg van ondervoeding. Die abnormale eetlust is verder zo hevig dat deze kinderen thuis of op school voedsel stelen, hamsteren en 's nachts op strooptocht uitgaan. Ook is de vraatzucht niet eenvoudigweg een reactie op stress, want bij een groep van 58 mishandelde kinderen die geen groei-achterstand vertoonden, zagen de Britten slechts in twee gevallen zo'n vraatzucht.

Op basis van een epidemiologisch onderzoek waarbij in de regio Wessex tussen 1985 en 1987 alle kinderen op groei-achterstand werden gecontroleerd, schatten de Britse artsen dat er bij 3% van de normale kinderen met een te klein postuur sprake is van hyperfagische groei-achterstand. Overigens reageren lang niet alle kinderen op verwaarlozing met groei-achterstand. De Britten denken dat er sprake is van een zekere familiale aanleg. Uit hun onderzoek blijkt dat er een kans is van ongeveer 40 procent dat hetzelfde zich ook bij een ander kind uit hetzelfde gezin of een neef of nichtje voordoet. Zij denken niet dat dit komt doordat die kinderen elkaars gedrag nabootsen, omdat dit bij andere aandoeningen met vergelijkbare eetstoornissen ook niet het geval is, bijvoorbeeld bij het erfelijke Prader-Willi-syndroom.