Fraude kost beleggers 200 miljoen gulden

ROTTERDAM, 15 AUG. Nederlandse beleggers worden jaarlijks voor een bedrag van ten minste 200 miljoen gulden gedupeerd door criminele organisaties die zich bezighouden met effectenbemiddeling buiten de Amsterdamse effectenbeurs.

Dat zegt B. Hoekman, hoofd financieel-economische recherche van de Economische Controledienst (ECD). Deze dienst, die onder meer malafide praktijken op de financiële markten moet opsporen, meldde in haar jaarverslag over 1995 vijftien organisaties “in beeld” te hebben die zich met financiële criminaliteit bezighouden.

Het gaat daarbij vooral om handelaren in goederentermijncontracten die zonder vergunning en buiten de effectenbeurs om werken, zegt Hoekman. “Het zijn niet meer alleen solistische bemiddelaars, maar grotere organisaties die al gauw enkele miljoenen verdienen. Ik heb een voorbeeld van een organisatie die in een jaar tijd tussen 15 en 20 miljoen gulden heeft omgezet.”

Typerend voor deze categorie goederentermijnhandel is agressieve telefonische colportage. Beleggers worden gelokt met hoge, belastingvrije rendementen door speculatie op de goederen- en/of valutatermijnmarkt. Het gaat volgens Hoekman om organisaties in Nederland en om netwerken die vanuit het buitenland op de Nederlandse markt werken. In 1991 en 1992 zijn de overheidsregels verscherpt. De laatste keer dat het ministerie van Financiën voor met name genoemde malafide termijnmarkthandelaren waarschuwde was in 1994. Hoekman zegt nog steeds bedrijven in Nederland op te rollen, maar wil geen namen noemen.

De vijftien organisaties die de ECD in het vizier heeft zijn ondernemingen die geleid worden volgens een vast stramien, aldus Hoekman. Zo is er een afdeling die telefonisch beleggers benadert, een afdeling die de transacties tot stand brengt en een afdeling die de geldstromen beheert.

Hoekman bevestigt dat de ECD met plannen heeft rondgelopen zo'n organisatie door middel van infiltratie te ontmaskeren, maar dat deze methode als te riskant is afgewezen. “Daarover nadenken kan geen kwaad, maar feitelijke uitvoering bekijken wij met de nodige terughoudendheid, gezien de nasleep van de parlementaire onderzoekscommissie-Van Traa naar opsporingsmethodes en mogelijke acties van de wetgever.”