Elf procent minder studenten Nederlandse universiteiten

ROTTERDAM, 15 AUG. De Nederlandse universiteiten hebben het afgelopen studiejaar 1995/96 11 procent minder studenten getrokken dan het studiejaar daarvoor. Het aantal ingeschreven eerstejaars daalde met 3.752 tot 30.398 studenten. Het totaal aantal ingeschreven studenten daalde met 4 procent tot 176.096 studenten.

Dit blijkt uit het gisteren verschenen landelijke overzicht Kengetallen Universitair Onderwijs van de Vereniging van universiteiten VSNU.

Sinds het studiejaar 1991/1992 daalt het aantal eerstejaars op alle universiteiten, met één uitzondering, de Rijksuniversiteit Limburg, waar het aantal studenten de afgelopen drie jaar elk jaar nog licht toenam.

Uit de cijfers van de VSNU blijkt verder dat het aantal vorig jaar behaalde doctoraaldiploma's vergeleken met het studiejaar 1994/95 met 4 procent is toegenomen, wat in overeenstemming is met de stijging van de afgelopen vijf jaar.

Van de studenten die in het studiejaar 1992/93 begonnen te studeren, heeft 56 procent twee jaar later de propedeuse gehaald. Invoering van de tempobeurs in het studiejaar 1993/94 die studenten verplichtte minimaal een kwart van hun studiepunten te halen om aanspraak te maken op studiefinanciering, resulteerde twee jaar later in een slagingspercentage voor de propedeuse van 57 procent. Voor zover de tempobeurs erop gericht zou zijn de studenten sneller te laten studeren, blijkt dit niet uit de cijfers.

Ruim boven het landelijk percentage bij de propedeuse na twee jaar scoren de Rijksuniversiteit Limburg (75 procent) en de Landbouwuniversiteit (70 procent). De rendementen na twee jaar voor de propedeuse aan de Technische Universiteit Delft en de Technische Universiteit Enschede zijn het laagst, respectievelijk 45 en 48 procent.

Studenten die in 1995 zijn afgestudeerd, hebben gemiddeld vijfeneenhalf jaar over hun studie gedaan. De VSNU heeft dit berekend door van alle afgestudeerden in het studiejaar 1994/95 na te gaan in welk jaar zij hun studie aanvingen. Uitgesplitst naar opleidingen is de totale gemiddelde studieduur bij gezondheid het laagst (5,2 jaar) en bij recht het hoogst (5,9 jaar).

Voorzitter R. Meijerink van de VSNU vindt de cijfers over studieduur en studierendement zorgelijk. Hij wijst op de verantwoordelijkheid van de universiteiten. “Zij moeten hun studiebegeleiding en voortgangscontrole verder intensieveren.” De Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) concludeert bij monde van voorzitter C. Grimbergen dat een studieduur van vier jaar op basis van de VSNU-cijfers onhaalbaar lijkt, terwijl de studenten daarvoor wel de rekening gepresenteerd krijgen.

Met nieuwe regels voor de studiefinanciering zoals de invoering van de tempobeurs in 1993/1994 en van de prestatiebeurs met ingang van het komend studiejaar streeft minister Ritzen van Onderwijs naar een universitaire cursusduur van vier jaar. Alleen de technische studies mogen vijf jaar duren.

Bij de tempobeurs moeten de studenten elk jaar een verplicht aantal studiepunten halen, aanvankelijk een kwart, later de helft. Anders wordt de verstrekte beurs omgezet in een lening. Met ingang van het nieuwe studiejaar wordt de tempobeurs vervangen door de prestatiebeurs. Studenten krijgen dan vier of vijf jaar studiefinanciering, afhankelijk van de studie die ze doen, en daarna kunnen zij nog twee jaar geld lenen. Als zij dan niet zijn afgestudeerd, moeten ze alles terugbetalen.