'Een pretpark moet er niet te gelikt uitzien'

In 1963 liet Henk Bemboom (75) op een perceel grasland twintig houten vakantiehuisjes timmeren met bij elk huisje een Shetlandpony en een wagentje. Ponypark Slagharen is inmiddels uitgegroeid tot een groot vakantieverblijf annex pretpark. Bemboom heeft alleen lagere school en wordt naar eigen zeggen niet gehinderd door veel kennis. “Dat is maar goed ook. Ik heb alles op het gevoel gedaan.” Tegenwoordig voert dochter Henric, afgestudeerd in de kunstgeschiedenis, de directie. De bezoekersaantallen nemen toe, een gevolg van het 'André van Duin effect'. “Jarenlang mocht je niet om Van Duin lachen als je hoger geschoold was. Nu is hij van en voor iedereen en datzelfde gaat inmiddels op voor de pretparken.” Derde artikel in een serie over Nederlandse 'pretpioniers'.

Wij Bemboompjes zijn een nuchter volkje.” In slakkengang stuurt de 75-jarige Henk Bemboom zijn directiebolide door Ponypark Slagharen, behendig laverend tussen de dagjesmensen. Om de zoveel meter houdt hij halt om tekst en uitleg te geven bij een van de veertig topattracties van wat hijzelf ronduit een “pretpark” noemt.

“Sommige collega's die het wat hoog in de bol hebben beschouwen dat woord bijna als een vloek” , zegt hij. “Van hen moet je 'attractiepark' zeggen, maar voor mij hoeft dat niet. Onze bezoekers komen nu eenmaal in deze wereld van plezier om pret te hebben.” Bij de Looping Star verhaalt hij met jeugdig enthousiasme dat deze uit 1979 daterende achtbaan, waarin je slechts één keer over de kop gaat, de eerste was in Nederland. “Later zijn elders achtbanen gebouwd waarin je wel vijf keer over de kop gaat, maar wij hebben het altijd bij één keer gehouden, want die hele grote achtbanen vergen zoveel miljoenen aan investeringen dat je het er nooit uithaalt. Wie beslist vijf keer over de kop wil, kan vijf keer in de onze en dan bereik je in feite hetzelfde effect.”

Met weemoed in de hoogte starend laat hij daarop volgen dat als het hem vroeger eens tegenzat of als hij zich ergens aan had geërgerd, hij in zijn eigen achtbaan ging zitten, “En dan was ik na één ritje alles kwijt.” Sinds 1990 doet hij dat niet meer, “want inmiddels heb ik deze zaak overgedragen aan vier van mijn negen kinderen en bemoei ik mij nergens meer mee.” De achterin de wagen gezeten dochter Henric (44), als algemeen directeur verantwoordelijk voor beleid, financiën en perszaken, kan een lachje niet onderdrukken. “Vader komt hier nog vrijwel dagelijks, en hij laat ons inderdaad de vrije hand, maar wel heeft hij zijn ogen en oren nog altijd wijd open en deelt hij ons graag zijn bevindingen mee.”

Verder rijdend wijst Bemboom op een grote zwerfkei, zoals er overal in het park liggen: “Dat zijn mijn uitkijk- en luisterposten. Een groot deel van mijn tijd heb ik op die stenen gezeten, scherp oplettend wat de mensen tegen elkaar zeiden, en daardoor heb ik enorm veel te horen gekregen waar wij ons voordeel mee konden doen. Om meningen te peilen en je beleid daarop af te stemmen heb je geen dure onderzoeksbureaus nodig, dat is gewoon een kwestie van je gezonde verstand gebruiken.”

Op dezelfde boerenslimme wijze doet hij ook (nog steeds) aan landelijk onderzoek naar de naamsbekendheid van het park. “Ben ik bijvoorbeeld in Amsterdam”, zegt Bemboom, “dan stap ik in een taxi, slaak een diepe zucht, en zeg: 'pfff, wat een drukte, ik ben blij dat ik op het platteland woon.' Als de chauffeur vraagt 'waar?', zeg ik 'ach, in een plaatsje in de kop van Overijssel waar u vast nog nooit van gehoord hebt.' Zeg ik vervolgens dat ik uit Slagharen kom, dan luidt de reactie steevast, bijna verontwaardigd: 'van het ponypark toch?!' En dat terwijl veertig jaar geleden nog nooit iemand van deze vlek had gehoord.”

Wij passeren de Apollo (een rond een roestige maanglobe draaiende zweefmolen) en een verweerd straatje in westernstijl om vervolgens een rondje te maken over de tien hectare parkeerterrein met scheuren en gaten in het asfalt. Alsof hij de gedachten van de bezoeker kan raden zegt Bemboom: “Alles moet er netjes verzorgd uitzien, maar niet te gelikt, want dat schrikt veel mensen af. Anders dan bij veel andere pretparken is het hier ook geen doolhof. In onze routing hebben we geen slingerpaadjes met bosschages. Het hele park hebben we in rechte lijnen uitgezet en beklinkerd opdat ouders en kinderen het overzicht kunnen houden, en ook in onderhoud scheelt dat een stuk.”

Verder gaat het, over een winkelpromenade met aan weerszijden niet alleen patatkramen en snoepwinkels, maar ook voorzieningen voor wat Bemboom “recreatief winkelen” noemt, door hem vertaald in dumppaleizen voor kleding en schoenen, een westernshop met strooien cowboyhoeden en pony's en paarden van pluche en plastic. Ook staan deuren open bij een Chinees restaurant, een hal met speelautomaten en een welgevulde supermarkt voor de huurders van de honderden rond het pretpark gelegen houten vakantiehuisjes, wigwams en stacaravans.

Achterop het terrein is een complex theaters te vinden waar overdag onder meer westernshows en kindercircusvoorstellingen worden gehouden en waar 's avonds prijzen vallen tijdens bingo-avonden, karaokeshows en talentenjachten. Helemaal in een uithoek bevindt zich een overdekte ponyrijbaan, en met die pony 's is het allemaal begonnen in Ponypark Slagharen. Backstage, in een onherkenbaar vertimmerde boerenhoeve (met een koffieshop in de voormalige stallen) is een ontvangkamer ingericht met foto's en een vitrine vol onderscheidingen, gedenkborden en andere memorabilia. Aldaar doet Henk Bemboom gretig zijn verhaal over de ontstaansgeschiedenis: “Ik ben maar een gewone jongen, met alleen maar lagere school. Mijn vader had in de Dorpsstraat van Slagharen een winkel van Sinkel in alles wat de boeren hier in de omgeving van de Oude Lutten nodig hadden, zoals textiel, spijkers, wasknijpers, prikkeldraad, gereedschap, kopjes, schotels en asfalt. De dag nadat ik van de lagere school kwam kreeg ik van mijn vader een wagen met een pony ervoor, om daarmee zes dagen per week de boer op te gaan en spullen uit de winkel te venten.”

Vanaf zijn achttiende deed Bemboom dat werk met een oude Fordbus, maar nooit kon hij zijn pony vergeten, zijn 'kidde' , zoals ze in de streektaal zeggen. “Daar was ik gekker mee dan met het mooiste stuk speelgoed, omdat ik met dat dier kon lezen, schrijven en praten, zelfs zonder wat te zeggen. Het wist precies op welke adressen mijn klanten woonden en stopte dan braaf, om vervolgens naar het volgende adres te sukkelen. Die pony was mijn beste vriendje, maar ik heb er nooit op mogen rijden van mijn vader, omdat hij bang was dat ik eraf zou vallen en de volgende dag niet kon gaan werken. Wat alle kinderen hier nu dag in dag uit doen, ponyrijden, was voor mij niet weggelegd.”

Eenmaal getrouwd kocht hij voor zijn eigen kinderen pony's en nog later besloot hij van de ponypaardjes zijn broodwinning te maken. Dat was begin jaren zestig, toen de ouderlijke winkel, die hij als oudste van negen kinderen had overgenomen, langzaam leegliep. “Steeds meer mensen kregen een auto en gingen voor hun inkopen naar Zwolle, Hoogeveen en Coevorden. Dat was niet alleen bij ons zo, maar ook bij de winkel van mijn grootste concurrent en overbuurman Wehkamp. Hij is toen een postorderbedrijf begonnen en ik ben de recreatie in gegaan.”

Nadenkend over hoe hij de mensen zover kon krijgen dat ze massaal met hun auto naar de voormalige veenkolonie Slagharen kwamen, kwam Bemboom op het idee een ponypark te beginnen. In 1963 liet hij op een perceel grasland twintig houten vakantiehuisjes timmeren, met bij elk huisje een Shetlandpony en een wagentje. Om klanten te trekken zette hij in landelijke bladen een paar kleine advertenties en vrijwel onmiddellijk liep het storm met stadsmensen, die bij aankomst vroegen: “Zeg boer, waar is die knol.” Alleen al door die vraag wist hij dat hij goed zat met zijn formule.

De twintig huisjes en bijbehorende pony's werden er 50, 100 en nu zijn het er 800. De nieuwste in eigen werkplaatsen getimmerde huisjes zien er nog net zo uit als de eerste en zijn van een ontroerende eenvoud. Daarnaast biedt Ponypark Slagharen op honderd hectare eigen grond wigwams aan, stacaravans en plaatsen voor kampeerders. In principe verhuurt Bemboom zijn huisjes (inclusief pony en toegang tot het pretpark) voor niet langer dan één n week aan dezelfde bewoners. Volgens boze tongen is dat omdat hij het adagium zou huldigen 'Na een week is het meeste vakantiegeld op'. Maar dat ontkent hij ten stelligste: “De reden dat we hier doorgaans aan verhuur gedurende één week vasthouden is dat je een feest altijd op een hoogtepunt moet afbreken.”

Successievelijk voegde hij aan het ponypark een zandbak, zwembad, speeltuin, trampolines en een uitkijktoren toe, ook voor dagjesmensen die hij deels via busmaatschappijen wierf. De dorpswinkel stootte hij in 1968 na een grote brand af naar een broer en diens zonen, die voor een deel (ook in het park) restanten van Wehkamp verkopen. De attracties verruimde hij met onder meer botsboten, een wildwaterglijbaan, een monorail en een Looping Star, en dat alles, en meer, voor de huidige entreeprijs van vierentwintig gulden. Glimmend vertelt Bemboom: “Als eerste in Nederland heb ik hier in 1972 het all-in tarief doorgevoerd, dat wil zeggen dat je tegen betaling van entree van alle attracties zonder bijbetaling gebruik mag maken. Vroeger moest je voor bepaalde attracties bonnetjes kopen, maar voor gezinnen met veel kinderen liep dat nogal in de papieren en dan kreeg je dat de kinderen zó gingen jengelen omdat ze niet overal in mochten, dat ouders besloten al een paar uur voor sluitingstijd naar huis te gaan. Vandaar dat ik dacht: maak alles gratis, dan ben je van dat gezeur af. Bovendien hielden de mensen zo nog wat geld over om in onze horeca- en winkelvoorzieningen te besteden.”

Om dat idee te beproeven liet Bemboom op een dag omroepen dat de baas jarig was en dat daarom alles gratis was. Vier zondagen achtereen herhaalde hij dat experiment en toen wist hij dat hij ook met die formule goed zat. “Nadien zijn vrijwel alle pretparken mij daarin gevolgd. Wel was ik nog even bang dat de mensen zouden schrikken van de verhoogde entreeprijs, maar om die schrik weg te nemen heb ik langs de aanlooproute overal lachspiegels laten plaatsen, zodat de mensen al in vrolijke stemming bij de kassa aankwamen en zonder morren betaalden. Ja, vader Bemboom wordt niet gehinderd door veel kennis en dat is maar goed ook. Ik heb alles op het gevoel gedaan, op wat mijn hart mij ingeeft.”

In de geest van hun vader, maar ieder op eigen wijze, zijn zeven zonen en een dochter de pionier opgevolgd. Alleen het negende kind, Johanna, die voor vroedvrouw leerde, beperkt zich tot haar rol als moeder en huisvrouw. De zonen Bouwe (techniek), Gerard (showprogramma's en verblijfsrecreatie) en Gijs (administratie) vormen nu met dochter Henric (afgestudeerd aan de sociale academie en als kunsthistorica) de directie van Ponypark Slagharen.

“Praktisch mijn hele jeugd”, zegt Henric op een van de spaarzame momenten dat haar vader haar aan het woord laat, “heb ik in het park doorgebracht, met patat bakken, ijs verkopen en suikerspinnen draaien.”

De zonen Henk en Willem drijven nu een pretpark onder de naam Dreamland in de Engelse badplaats Margate en Matthijs en Stephanus vestigden zich met hun O.K. Corral in Cuges-les-Pins aan de Franse zuidkust. Henk Bemboom: “Ik heb eigenlijk hetzelfde gedaan als veel boeren hier in de omgeving. Als die veel zonen hadden, vonden ze het niet verstandig hun boerderij onder allemaal te verdelen, want dan kreeg je onwerkbare toestanden. Dus heb ik een paar zonen laten emigreren, met geld om iets voor zichzelf te beginnen.”

Omtrent de opvolging in de derde generatie staat nog niets vast. Bembooms kleinkinderen zijn talrijk, maar de meesten zijn nog niet eens oud genoeg om een pony te beklimmen. Het personeel van Ponypark Slagharen bestaat uit een vaste garde van 32 mensen, aangevuld met 350 seizoenkrachten en nog eens enkele honderden hulpjes op afroep.

Over andere cijfers zul je de familie Bemboom niet horen. “C&A vertelt toch ook niet wat de omzet is en hoeveel mensen ze in hun winkels krijgen?” zegt de oude Bemboom. Zijn dochter Henric geeft als nadere verklaring: “Als we met cijfers van bezoekersaantallen gaan gooien zou dat de mensen maar afschrikken en gaan ze denken dat ze vanwege de drukte lang bij attracties moeten wachten.” Pas na aandringen geven ze op per jaar “meer dan één miljoen bezoekers” te trekken, een aantal dat door concurrenten “schromelijk overdreven” wordt genoemd.

Op hun beurt houden de Bembooms vol dat het aantal bezoekers aan hun park blijft groeien, met name dankzij het feit dat de afgelopen jaren ook hoger opgeleiden pretparken zijn gaan bezoeken. Henric spreekt in dat verband van het André van Duin-effect: “Jarenlang mocht je niet om Van Duin lachen als je hoger geschoold was en gold hij alleen als een volksheld. Nu is hij van en voor iedereen en datzelfde gaat inmiddels ook op voor de pretparken.”

Ook de vestiging van Disney in Parijs heeft volgens haar meer goed dan kwaad gedaan: “Door de enorme publiciteit die Disney heeft gekregen zijn meer en meer mensen nieuwsgierig geworden naar wat ook andere pretparken te bieden hebben. Het publiek groeit met de dag.”

Eenmaal per jaar doet Henric met haar broers een 'rondje Europa' om te zien wat andere parken aan nieuwe attracties hebben bedacht. Iets na-apen zullen ze niet gauw doen, zeggen vader en dochter. “We proberen juist altijd ons van andere parken te onderscheiden door onze attracties een eigen accent te geven.” Als voorbeeld noemen ze hun overdekte zwemparadijs, dat niet is uitgevoerd in de stijl van het geijkte tropische zwemparadijs met palmen, maar dat het karakter heeft van een ijzig poollandschap, met sneeuwwitte rotsen, bewegende ijsberen en pinguins. “Palmen van enig formaat zijn niet te betalen, het ene tropische zwemparadijs wil ze nog dikker dan de andere”, zegt Bemboom. “Door wat beton te storten en wit te verven ben je heel wat goedkoper uit, en zo heb je nog wat bijzonders te bieden ook. Ja, wij Bemboompjes zijn een nuchter volkje.”