Westen mag niet cynisch worden over Derde wereld

In zijn column van 6 augustus heeft J.L. Heldring weer een thema aangesneden dat de pennen in beweging kan brengen. Hij distantieert zich van Fukuyama, waar deze besluit dat er een fundamenteel proces aan de gang is dat een gemeenschappelijk ontwikkelingspatroon aan alle menselijke samenlevingen oplegt, dat wil zeggen: dat van de (Amerikaans-) liberale democratie.

Heldring wijst er terecht op, hoe ver men daar in Afrika, in de arabische en vele Aziatische landen nog van verwijderd is, zonder dat er een reële kans bestaat dat daar op korte termijn iets aan verandert. Heldring concludeert dat je dat dan maar moet aanvaarden en er vooral rekening mee moet houden, als je deze mensen hulp aanbiedt: “Hulp wordt gewoon als handelswaar gezien”. Hulp kun je daarom op alle mogelijke manieren misbruiken als je dat uitkomt: “Het wordt normaal gevonden dat degenen die aan de macht zijn zichzelf en hun naasten verrijken.”

Op Heldrings analyse is weinig aan te merken, wèl op zijn conclusie.

1. Onze huidige hulp wordt waarschijnlijk voor tachtig procent besteed aan het bestrijden van ellende die veroorzaakt is door de naweeën van het kolonialisme, door te vroeg en ondeskundig ingevoerde democratische instituties, door onverantwoorde wapenleveranties, door absoluut onredelijke handel, zorgvuldig gecamoufleerde uitbuiting en noem maar op. Mensen in de steek laten die je eerst in de penarie geholpen hebt, past niet in onze democratische opvattingen.

2. We kunnen de klok niet terugdraaien. Nu we al deze volken, waar “de normen van de stam en niet van de democratische staat gelden”, massaal wapens, auto's en ander technisch materiaal en technische kennis geleverd hebben, hebben wij de plicht ook onze democratische principes te exporteren, omdat die alleen de normen kunnen leveren, die nodig zijn om op een humane manier met die techniek om te gaan. Elk simplistisch cultuurrelativisme is hier funest.

3. Onze democratie heeft echter twee kanten: de abstracte, niet aanwijsbare principes waarop ze is gebaseerd, en de tastbare instituties waarin ze aanwijsbaar wordt gerealiseerd. Tot deze laatste hoort het meerderheidsrecht, een representatief bestuur, een op verantwoordelijkheid gebaseerde bureaucratie, het op vertrouwen gebaseerde sluiten van overeenkomsten (pacta sunt servanda). Tot de abstracte principes horen: de erkenning van het recht van de zwakke, c.q. de minderheid (anders ontaardt elke stemmeerderheid in een vorm van dictatuur). Maar ook: vrijheid, niet als keuzevrijheid maar als verantwoordelijkheid (anders wordt elke bureaucratie zakkenvullerij), en trouw die verder reikt dan familie- of stamverband (anders wordt elke overeenkomst een spelletje: wie is de slimste van het stel?).

4. Het probleem bij deze twee kanten van de democratie is, dat het invoeren van de tastbare democratische instituties nooit vanzelf leidt tot het aanvaarden van de principes erachter, maar dat die instituties wel min of meer vanzelf ontstaan als de principes in brede lagen van de bevolking zijn doorgedrongen. Dat wil zeggen dat een pragmatische aanpak bij het invoeren van een democratie weinig kans van slagen heeft. Wie denkt democratie te kunnen invoeren door mensen het genot ervan te laten proeven, spant het paard achter de wagen. Dat is wat wij gedaan hebben en waarvan we nu de bittere vruchten plukken.

5. Het leveren van de principes van de democratie kan nooit aan religies of kerkgenootschappen worden overgelaten, omdat de normen van de democratie alleen werken als ze het produkt van autonome redelijkheid zijn en niet als ze door iemand of iets van buiten opgelegd of aanbevolen zijn. Religieus gemotiveerde normen zijn altijd heteronoom, dat wil zeggen: geboden door een God of door de autoriteit van een boek etcetera. Binnen elke democratie is (zelfs een belangrijke) plaats voor religie, maar binnen geen enkele religie is op zich plaats voor democratie. Die plaats moet geschapen worden en dat bepaalt onze verantwoordelijkheid ten opzichte van de godsdiensten. Hun waarde voor de democratie kan groot zijn, maar alleen in de mate dat zij de normen ervan weten te integreren. Ook hier geldt dat elke goed bedoelde tolerantie alleen maar tot catastrofes kan leiden.

6. Summa summarum: naast de noodzakelijke onmiddellijke hulp moet er veel meer aandacht komen voor het belang van de verbreiding en het onderwijzen van de principes van de democratie. Juist dat valt ons echter bijzonder moeilijk, omdat wij zelf veelal niet meer geloven in de realiteit van die principes. Door hun abstracte karakter denken we dat ze 'elk-wat-wils' zijn. Dat is mede een gevolg van het postmoderne, utilitaristische en pragmatische denken dat onze Westerse wereld overspoeld heeft. Wellicht moeten we daar beginnen als we de problemen in de Derde Wereld willen oplossen.