Rechter acht ontslag IRT-man niet onderbouwd

ROTTERDAM, 14 AUG. De Hilversumse politie is bereid terug te komen op het besluit CID-chef F. van der Putten te ontslaan wegens ongeschiktheid voor het politieambt. Deze toezegging deed het hoofd personeelszaken van het korps Gooi- en Vechtstreek, W. Limon, gisteren aan de Rotterdamse rechtbank.

Hij ging hiertoe over nadat rechtbankpresident J. Mendlik in een door Van der Putten aangespannen spoedprocedure talrijke onvolkomenheden vaststelde in de gronden die voor het ontslag van de CID-chef zijn aangevoerd.

Mendlik gaf de korpsleiding van de politie in Hilversum een week de tijd om het ontslag van Van der Putten opnieuw te overwegen. Hij vond ontslag wegens ongeschiktheid voor het politieambt onvoldoende onderbouwd door het Hilversumse korps en noemde die ontslagreden gezien de dertigjarige staat van dienst van Van der Putten 'defamerend'. Hij zei dat een ontslag wegens “incompatibilité d'humeur” (met het openbaar ministerie) hem passender lijkt, “waarbij ik in het midden laat aan wie dat lag”, aldus Mendlik.

De Gooise CID-chef Van der Putten kreeg in april door zijn korpsbeheerder, de Hilversumse burgemeester J. Kraaijeveld-Wouters, ontslag aangezegd en was daarmee de eerste en voorlopig enige politieambtenaar die zijn baan verloor wegens de parlementaire enquête opsporingsmethoden. Volgens Kraaijeveld-Wouters en de Hilversumse korpsleiding had Van der Putten het gezag van het Amsterdamse OM genegeerd. Hij zou buiten medeweten van justitie bijzondere opsporingsmethoden hebben toegepast.

Van der Putten, die tijdens de enquête verklaarde dat hij “uit plichtsbesef” gesprekken met officieren van justitie en collega's op de band opnam, heeft altijd volgehouden alle relevante informatie over opsporingsacties aan justitie te hebben voorgelegd. Gisteren eiste hij in een spoedprocedure bij de rechtbank onmiddellijke vernietiging van zijn ontslag.

Tijdens de behandeling van de zaak toonde de rechtbankpresident zich sceptisch over de redenen die de Hilversumse politie voor het ontslag van Van der Putten heeft aangevoerd. Hij vond het niet goed dat de korpsleiding blindelings was afgegaan op het negatieve oordeel van het Amsterdamse openbaar ministerie over Van der Putten. Voordat dit medio vorig jaar gebeurde, had Van der Putten uitsluitend zeer gunstige beoordelingen van de korpsleiding gekregen, zo moest de vertegenwoordiging van de Hilversumse politie na nadrukkelijk doorvragen van Mendlik toegeven. “Een onvolkomenheid”, aldus Limon. Volgens Van der Putten en enkele van zijn collega's kwam het geregeld voor dat officieren van justitie afwijkend oordeelden over de toelaatbaarheid van sommige opsporingsmethoden.

Pagina 3: 'Politie niet kritisch genoeg jegens OM'

Rechtbankpresident Mendlik vroeg de vertegenwoordiging van de Hilversumse politie waarom de opstelling van het openbaar ministerie niet was onderzocht. Hij wees op de steeds wisselende opvattingen binnen het OM over wat bij de opsporing is toegestaan. “Je zou op grond van de stukken ook kunnen zeggen dat het een zooitje was bij het OM Amsterdam.”

De president trok ook de verklaring van de oud-CID-officier van justitie van Amsterdam, J. Valente, in twijfel dat hij niet zou hebben geweten van het huren van een loods voor drugsopslag met tienduizenden guldens crimineel geld. Valente had daarover destijds geen vragen gesteld, beaamden vertegenwoordigers van de Hilversumse politie. “En toch had Valente het beter moeten weten dan Van der Putten?”, aldus Mendlik.

De president stond ook nadrukkelijk stil bij de mededeling van Valente aan de enquêtecommissie dat hij van een huurprijs voor de loods van “een paar honderd gulden” was uitgegaan, terwijl Van der Putten er 50.000 gulden crimineel geld voor aanwendde. “Mijn vraag is”, zei de rechtbankpresident tegen de Hilversumse politie, “of die verklaring van Valente geen rare indruk op de korpsleiding heeft gemaakt. Op mij in ieder geval wel. Ik moest ervan gniffelen - een páár honderd gulden voor een loods.”

Het verwonderde Mendlik dat de Hilversumse korpsleiding de voorganger van Valente als CID-officier van justitie, Van der Kerk, die deze functie tot eind 1994 vervulde, niet had gehoord over Van der Putten. “Met Van der Kerk had Van der Putten kennelijk geen problemen. Als het hoofd CID dezelfde blijft en het OM een ander persoon aanstelt, is dan de conclusie dat het dus aan het hoofd CID ligt? Neen.” De president zinspeelde er met instemming van Van der Putten op dat de CID-chef pas was gaan dwarsliggen nadat het OM medio vorig jaar intern kritiek op hem uitte. “U was als een valse hond die bijt omdat u geslagen wordt”, aldus Mendlik.

Op aangeven van Van der Puttens juridisch adviseur Th. Velo stelde Mendlik ook vast dat de Hilversume korpsleiding eenzijdig negatieve voorlichting over Van der Putten heeft verstrekt. Een zogenoemde 'bezwarencommissie', die recentelijk het ontslag van Van der Putten toetste, bleek niet te zijn geïnformeerd over een reeks rapporten en uitlatingen van chefs en collega's die gunstig over de CID-chef oordeelden. “Als deze stukken bij het korps bekend waren, hadden ze een rol bij de beoordeling van Van der Putten moeten spelen.”

Hoofd personeelszaken Limon zei dat de professionele relatie van Van der Putten met de op verdenking van drugshandel aangehouden Belgische politieman Van Mechelen een rol heeft gespeeld bij zijn ontslag. De president reageerde daar verwonderd op, omdat die reden niet in het ontslagbesluit is genoemd. Ook stelde hij vast dat een eerdere beschuldiging dat Van der Putten 80 kilo drugs zou hebben gestolen niet in de uiteindelijke ontslagbrief terugkomt. De Hilversumse politie gaf toe dat voor deze beschuldiging geen feiten konden worden aangedragen.

Mendlik wees erop dat Van der Putten zich, “als ik het cru zeg, onmogelijk heeft gemaakt” door zijn problemen met het openbaar ministerie, maar vroeg niettemin het ontslag wegens ongeschiktheid voor het politie-ambt ongedaan te maken. De Hilversumse politie zegde dit toe.