Over de schoonheid van het Schotse weer

Aan het lijstje landen waarvan ik persoonlijk heb kunnen vaststellen dat ze bestaan heb ik de afgelopen zomer Schotland kunnen toevoegen. Onder de vele min of meer duistere motieven om op reis te gaan, voor vakantiedoeleinden, is dit misschien nog het duidelijkste.

Ieder mens bezit een min of meer schetsmatige innerlijke globe en daarop verkrijgen slechts de met eigen voet betreden gebieden werkelijkheidsgehalte. Het bestaan van de rest van de wereld heeft toch veel meer een voorlopig karakter.

Tijdens een Ierse vakantie, een paar jaar terug, kregen we van gezaghebbende zijde te horen dat de zomer die wij er doorbrachten nu net een van de allerslechtste van de eeuw was, weertechnisch. Wij geloofden het graag: daar ging een zekere troost van uit. Ook dit jaar in Schotland werd ons iets dergelijks verteld: dat zij, de Schotten zelf, dit jaar eigenlijk geen zomer hadden gehad. En weer ging het er bij ons in als koek. We hebben niet eens stilgestaan bij de mogelijkheid dat dit een vaste wending is, in de conversatie met buitenlanders.

Aan Ierland bewaar ik een herinnering van algemene verbluftheid over het weer. Ze hebben daar naar mijn indruk het meest afwisselende weer ter wereld. Waar het weer in Nederland meestal op dagbasis wordt besproken, moet dat in Ierland per uur. Ze hebben veel meer weer dan wij.

Schotland leek me in dit opzicht tussen Ierland en Nederland in te liggen. Maar het is bergachtiger. Wat het voordeel heeft dat je de regen zo prachtig aan kunt zien komen vlagen. Tot je er midden in zit, natuurlijk. Want zicht en regen zitten elkaar gewoonlijk in de weg. En om zicht is het de wandelaar begonnen. Maar nu sluit zich het boek van het landschap dat de wandelaar zo graag wilde lezen.

Helaas, er kan een grote discrepantie optreden tussen de barre schoonheid van een landschap en de ontvankelijkheid van de wandelaar. Of hij wil of niet, steeds meer wordt hij in beslag genomen door zijn dalende lichaamstemperatuur en het gestaag in zijn kleding en schoeisel doordringende vocht. En zelfs al zou er werkelijk een tegen al dat hemelwater opgewassen kleding bestaan, dan nog. Niemand, lijkt mij, kan zichzelf alleen lichamelijk wegcijferen - met behoud, bedoel ik, van de esthetische waarnemer om wie het allemaal begonnen is.

Of vergis ik mij daarin? Lectuur van de geschriften der diehards onder de wandelaars, de alpinisten en de poolreizigers, zou het kunnen uitwijzen. Laat ik dan zeggen dat het me voor de gewone sterveling niet weggelegd lijkt. Misschien is het ook een kwestie van gradatie. Maar het moet, ook voor de meest onverschrokken reizigers van het ruige soort, ten slotte uitlopen op een paradox. Het moet een vorm zijn van de misschien wel altijd nagejaagde niet te beantwoorden vraag: hoe ziet het er hier uit wanneer er niemand is?

Hoe ziet het er hier uit zonder mij?

Het is een vraag die alleen aan de orde gesteld kan worden in de literatuur. De verdwijning van de waarnemer, letterlijk en figuurlijk, is schitterend beschreven door de Zweedse schrijver Lars Gustaffson. In zijn sinds lang niet meer verkrijgbare roman met de onmogelijke titel 'Het eigenlijk relaas over de heer Arenander', vertaald door Marguérite Törnqvist, komt een moderne Icarus aan zijn eind.

Een ballonvaarder van rond de eeuwwisseling stijgt hoger en hoger. Eerst wordt beschreven hoe zijn herinneringen hun betekenis en hun kleur beginnen te verliezen. Vervolgens hoe de ballonvaarder zijn eigen ademhaling als niet ter zake gaat ervaren. Om ten slotte 'in het licht van zijn vervlakte, verbleekte herinneringen zijn eigen aanwezigheid duidelijk als iets hinderlijks' te beleven, 'als een vreemd element dat op ontelbare niet ter zake doende wijzen het grootste experiment dat op dit ogenblik aan de gang was kon beïnvloeden en storen.'

Prachtig. Ik ben misschien een beetje afgedwaald, maar via Schotland ben ik dan toch weer thuisgekomen.

    • Nicolaas Matsier