Het tekort aan rechtse intellectuelen

De Nederlandse politieke cultuur wordt gekenmerkt door een benauwende en slaapverwekkende eenvormigheid. Een enkele uitzondering daargelaten wonen in dit land louter beschaafde en weldenkende mensen, die het zelden of nooit met elkaar oneens zijn.

Goed, een enkele keer willen we wel eens van mening verschillen, soms is er zelfs sprake van een heus debat, maar echt tegendraadse geluiden zal men op de doorsnee Nederlandse opiniepagina niet gauw aantreffen. Wie dit soort geluiden wil horen, zal een blik over onze landsgrenzen moeten werpen.

Neem bijvoorbeeld Botho Strauss. Deze Duitse schrijver heeft enkele jaren geleden een kort essay gepubliceerd dat in zijn land een culturele aardbeving veroorzaakte, waarvan de naschokjes tot in de grachtengordel voelbaar waren. Met de nadruk op 'schokjes', want waar Duitse critici zich zo over opwonden, het gegeven dat Strauss voortaan als een rechtse intellectueel door het leven wilde gaan, dat gaf hier nauwelijks aanleiding tot rumoer. Anders dan onze oosterburen (die nog niet zo ver zijn) weten wíj immers dat een dergelijke intellectueel niet kan bestaan. Ooit hebben we in dit land besloten dat rechts van de VVD en de kleine christelijke partijen geen intellectueel leven mogelijk is. Sindsdien is een rechtse intellectueel een contradictio in terminis. Het Nederlandse debatje had dan ook een hoog welles-nietesgehalte. Ofwel Strauss was een intellectueel, wat men tot voor kort gezien zijn reputatie als veel gespeeld dramaturg had aangenomen, maar dan kon hij onmogelijk rechts zijn. Ofwel hij was rechts, maar dan betekende dit automatisch dat hij zijn status als intellectueel zou verliezen. Omdat Strauss de onhebbelijke gewoonte heeft nogal duister te schrijven, koos men al snel vrijwel unaniem voor de laatste mogelijkheid. En het debatje was voorbij, nog voordat het goed en wel begonnen was. Een gemiste kans, want Botho Strauss zou, in tegenstelling tot wat in dit land voor rechts moet doorgaan, een tegenstander van formaat zijn geweest.

Het kost ons in Nederland moeite extreem-rechts als denkrichting serieus te nemen. Kennelijk zijn we inmiddels zo gewend geraakt aan de spreekwoordelijke domheid van onze eigen extremisten, dat we ons al bijna niet meer kunnen voorstellen dat van hun gedachtengoed ook een intellectuele aantrekkingskracht zou kunnen uitgaan. Dat is een kwalijke zaak. Enerzijds omdat hier sprake is van een gevaarlijke onderschatting. De aanhang van bewegingen als de Franse Nouvelle Droite of de Duitse Neue Rechte, waarvan Strauss het boegbeeld is, bestaat voor een aanzienlijk deel uit intellectuelen: bedaarde mannen en vrouwen die hun sporen in het maatschappelijk leven vaak ruimschoots hebben verdiend. Zij menen in het rechts-conservatisme een alternatief voor het in hun ogen spaak gelopen links-liberalisme te hebben gevonden. Anderzijds omdat zelfs uit deze hoek wel eens een tegendraads geluid klinkt, dat de moeite van het overdenken waard is. De vanzelfsprekendheid waarmee we in Nederland dergelijke geluiden terzijde schuiven, roept op zijn minst vraagtekens op.

Enkele jaren geleden heeft de historicus dr. L. de Jong er in een lezing met zichtbaar genoegen op gewezen, dat in ons land “politiek-actieve groepen op tal van terreinen standpunten innemen die ten nauwste samenhangen met de afwijzing van het nationaal-socialisme”. Blijkbaar heeft de Tweede Wereldoorlog, in een tijd waarin de traditionele kaders wankelen, gaandeweg de rol van ethisch fundament overgenomen. Daar is niets op tegen. Elke cultuur heeft een verankering nodig en het verleden leent zich uitstekend voor deze taak. Maar ons anti-fascisme heeft in de loop der jaren iets gemakzuchtigs gekregen. We nemen graag grote woorden in de mond als 'Nederland bekent kleur', laten bij tijd en wijle weten dat we woedend zijn en houden ons verder onledig met kleine pesterijtjes als het op valse gronden verbieden van demonstraties, of het niet willen plaatsnemen naast een besmet verklaarde parlementariër. Ach, het is allemaal zo risicoloos. Er is niet veel moed en inspanning voor nodig anti-fascist te zijn in een land waar extreem-rechts bestaat uit een handvol kaalkoppen en een enkele verdwaalde doctorandus.

Het ontbreken van een tegenstander van formaat is wellicht comfortabel, maar maakt ook slaperig en komt de intellectuele scherpzinnigheid zeker niet ten goede. Op den duur zou het er zelfs toe kunnen leiden dat in een samenleving een blinde vlek ontstaat voor problemen, waar weldenkende mensen als u en ik liever niet onze vingers aan branden. Intellectuele dwarsliggers als Botho Strauss houden het debat levendig: ze dagen uit, stellen op de proef, dwingen tot zelf-reflectie. Elke zichzelf respecterende politieke cultuur zou een aantal van dit soort dissidenten in huis moeten hebben. Maar er bestaat geen Nederlandse Botho Strauss. Er schijnen in dit land zelfs geen rechtse intellectuelen te kunnen bestaan.

Waarom eigenlijk niet?