Freek de Jonge als omstreden gastheer

Zelden heb ik zoveel contrasterende meningen gehoord over een programma als over Freek de Jonge's Zomergasten, de afgelopen vijf zondagen bij de VPRO. Volgens sommigen was het de definitieve ontmaskering van De Jonge als een onbeschaamde, zelfingenomen vlerk, die niets liever doet dan andere, wijzere mensen in de rede vallen. Bij anderen overheersten de jubeltonen, zij vroegen zich af of de VPRO niet moet overwegen De Jonge een wekelijkse talkshow te geven.

Na de eerste uitzending, die met Connie Palmen, verwachtte ik dat ik in het eerste kamp terecht zou komen. Dat was, om het mild uit te drukken, een onbevredigende avond. Palmen had voor een nogal pretentieuze opzet gekozen: zij wilde aan de hand van tv-beelden een essay maken over zelfvernietiging. Maar wie een essay wil maken, kan dat beter in de rust van zijn werkkamer doen dan in de chaos van een tv-studio met een gastheer die ook zijn eigen ei kwijt wil. De Jonge liet Palmen zelden uitpraten, zodat er bijna geen redenering uit de verf kwam. Misschien had ze ook minder te zeggen dan ze suggereerde, maar dat kwamen we door De Jonge's ongeduld niet te weten.

De Jonge werd de week daarop, met name door ingezonden brievenschrijvers in de VPRO-Gids, overladen met kritiek. Ik heb de indruk dat hij zich daarvan wel iets heeft aangetrokken. Hij was op de andere avonden ingetogener, liet meer ruimte aan zijn gasten.

Er mislukte, wat mij betreft, nog maar één avond: die met de popfotograaf Anton Corbijn, maar daar kon De Jonge weinig aan doen. Corbijn was verbaal niet voldoende begaafd om vier uur te kunnen boeien: wie weinig markante opinies heeft (of wie ze wel heeft, maar ze niet kan verwoorden) valt op zo'n lange avond tamelijk genadeloos door de mand. Je gaat je als kijker ergeren, in het geval van Corbijn vooral aan die wat vermoeide, geblaseerde houding die hij leek te imiteren van zijn pophelden. (En dan ook nog zo'n zonnebril opzetten! Allergisch? Komaan, dat zijn we allemaal.)

Veel boeiender waren de avonden met Jan Vrijman, Thom Hoffman en - vooral - Gerardjan Rijnders. Het waren gasten die soms wel enige wrevel opwekten - waar Hoffman een teveel aan moralisme toonde, probeerde Vrijman zich juist krampachtig aan iedere vorm van moralisme te onttrekken - maar ze lieten prachtige fragmenten zien en ze hadden ook goed over hun keuze nagedacht.

Rijnders beviel mij het best omdat hij de enige gast was die met kennis van zaken over televisie sprak. Hij bleek een gretige kijker: de meeste andere gasten haastten zich te zeggen dat ze weinig keken. Gasten als Rijnders passen het best bij het uitgangspunt dat destijds voor Zomergasten is gekozen: een selectie uit tv-programma's die iemand, om wat voor reden dan ook, hebben geraakt. Dat uitgangspunt is helaas steeds meer verwaterd: de meeste gasten stellen een soort tijdloos filmavondje samen dat weinig met het gangbare tv-aanbod te maken heeft.

Het was geen toeval dat juist de tv-kijker Rijnders het interessantste van alle fragmenten toonde: het negen jaar oude tv-interview van Maartje van Weegen met prinses Juliana en prins Bernhard. Het viel me nu pas op - veel meer dan destijds - hoe interessant dat gesprek was: juist door de zichtbare verlegenheid waarin Van Weegen het koninklijk echtpaar met haar montere vragen bracht.

Onvergankelijk is het moment waarop zij aan Bernhard vraagt hoe hij zich later herinnerd wil zien. Hij wil net aan een ernstige uiteenzetting over het wereldnatuurfonds beginnen als Juliana zich naar hem overbuigt en schalks vraagt: “Vertel toch eens waarom je destijds op het idiote idee bent gekomen om met mij te trouwen?” Bernhard lacht een beetje moeilijk, zegt iets als “daar zullen we het nu niet over hebben” en gaat verder met zijn verhaal. (Rijnders: “Hij had natuurlijk moeten zeggen: “Omdat ik van je hield.” De Jonge: “Dat kon hij niet over zijn lippen krijgen.”)

Na de slotavond met Rijnders wist ik het zeker: Freek de Jonge moet volgend seizoen als presentator van Zomergasten terugkomen. Zeker, hij is geen gelikte interviewer, maar ik zou zeggen: des te beter. Dergelijke interviewers zijn er al genoeg, zeker op de televisie. Het interessante van De Jonge als gastheer was juist zijn behoefte aan een confrontatie van opvattingen en smaken. Hij liet het zijn gasten merken als hij hun keuze vreemd of verwerpelijk vond.

Elke avond mondde op zeker moment uit in zo'n spannende confrontatie. Tegen Connie Palmen zei hij over de door haar bewonderde figuren (Monroe, Capote): “vind het zulke aanstellers die we tot dusver gezien hebben.” Jan Vrijman verweet hij een al te vrijblijvende houding: “Je zit tot hier vol met waardeoordelen, maar je probeert de chique oude man uit te hangen die boven de partijen staat.” Hoffman kreeg te horen dat hij te weinig van zichzelf liet zien, en Rijnders moest uitleggen waarom kunst ons vaak zulke verschrikkelijke dingen toont: “Kunnen we niet iets moois maken dat niet verschrikkelijk is?”

Als 'interviewer' was De Jonge nooit uit op smakelijke onthullingen over een akelige jeugd en mislukte relaties, maar op de ideeën en drijfveren van zijn gasten. Die konden ze illustreren met de door hen gekoesterde beelden. Wat mij minder beviel, was het strakke keurslijf waarin het programma in de loop der jaren is beland. Het maakt een zeer voorgekookte indruk: de fragmenten liggen, na ampel vooroverleg met de redactie, allemaal keurig in volgorde klaar: gastheer en gast hoeven er alleen nog maar naartoe te praten. Waarom niet meer aan het toeval - de loop van het gesprek - overgelaten? Verzamel tevoren een x-aantal fragmenten en laat gast en gastheer tijdens de avond kiezen. Wie De Jonge als gastheer vraagt, moet zijn improvisatietalent beter benutten.