Aanslag op Hitler was zeker serieuze poging

Ter aanvulling van zijn column 'beoogde mislukking?' van J.L. Heldring op 26 juli diene het volgende. De door Schmidt-Hackenberg geponeerde stelling dat Graf Stauffenberg zijn aanslag opzettelijk zou hebben laten mislukken is onzinnig.

Heldring geeft zelf het belangrijkste tegenargument: waarom zou Stauffenberg dan zoveel moeite hebben gedaan om zelf naar Berlijn te ontkomen? Bovendien zou het een weergaloos bedrog aan zijn kameraden zijn geweest, hij zou nog na zijn terugkomst zijn mede-samenzweerders - Beck en von Witzleben voorop - een rad voor de ogen hebben gedraaid. Dat is volstrekt onaannemelijk.

De aarzelingen over een moordaanslag op de Führer en het idee van zijn arrestatie en berechting kwamen niet zozeer voort uit overwegingen van doelmatigheid alswel uit morele remmingen, onder meer bij Rommel en Von Moltke. Zij hebben hun bezwaren weliswaar niet opgegeven, doch gingen de noodzaak inzien van eenheid van het verzet ten behoeve van doeltreffende actie. Deze aarzelingen hebben de onderlinge afstemming in het verzet ernstig vertraagd, al is de aanslag in hoofdzaak door andere oorzaken uitgesteld. Hoe zeer diegenen gelijk hadden die meenden dat er geen ontkomen aan een aanslag was, is op sinistere wijze aangegeven door Von Kluge, toen hij in Parijs degenen die hem ertoe wilden overhalen ondanks het bericht van het mislukken van de aanslag de actie voort te zetten, toebeet: “Ja, wenn das Schwein tot wäre!”

Er was uiteraard toch al haast geboden, maar dit te meer daar de militaire situatie met de dag verslechterde, en bovendien ontdekking en algehele uitschakeling van de samenzwering zich door arrestaties al had aangekondigd. Of grotere deskundigheid inzake explosieven Stauffenberg, toen hij het houten gebouwtje zag, ervan zou hebben weerhouden met het ontsteken van de twee verborgen bommen de aanslag toch uit te voeren, dunkt me derhalve onzeker. Bovendien bezat hij zulk een deskundigheid niet uit hoofde van zijn opleiding. Uiteraard was hij onderwezen in het hanteren van het aangereikte materiaal, maar dat is iets anders dan “een aparte opleiding [...] in het omgaan met explosieven”. Ten slotte moest hij - aangezien hij slechts één hand en daarvan niet alle vingers beschikbaar had - de beide bommen met een tang op scherp stellen; dat is hem slechts bij één bom gelukt, doordat de ordonnans die hem kwam ophalen vroeger binnentrad dan voorzien. Hij kon toen niet meer terug. Zijn gebrek aan deskundigheid heeft zich evenwel toch nog gewroken doordat hij niet besefte dat de uitwerking van de explosie zeer onzeker was.

De samenzwerende militairen werden in belangrijke mate gedreven door zorg over de rampzalige oorlogvoering. Velen van hen echter vonden dit sinds kortere of langere tijd minder belangrijk dan de principiële noodzaak tot omverwerping van dit tot dienares van het kwaad verworden regime. De gemeenschappelijke lijn was vervolgens: de aanslag wordt uitgevoerd in de hoop op, maar zonder de zekerheid van militaire verbetering en gunstiger vredeskansen.

Dat een nederlaag spoedig na de aanslag de Duitsers - om van anderen te zwijgen - zeer veel ellende zou besparen, was toen al een zeer plausibele militaire beoordeling. Bovendien deel ik de mening van hen - bijvoorbeeld Graf Einsiedel - die toen nog mogelijkheden zagen voor een militaire afwikkeling die de geallieerden had genoopt hun houding te herzien, en die zulke mogelijkheden wilden benutten.

Hiermee houdt verband de vraag naar het gevaar van een nieuwe 'dolkstootlegende'. De samenzweerders hebben zich van dit probleem weinig aangetrokken, en wellicht nog om andere redenen dan de reeds genoemde:

1. De weerzin onder het Duitse volk tegen de oorlog en degenen die hem prezen en volhielden, groeide met de dag. Onder de manschappen die bevel hadden de top van de SS in Parijs te arresteren, is dan ook expliciete instemming met deze opdracht gebleken.

2. Het probleem was al in de jaren na 1918 in wezen een probleem van de geallieerden, inzoverre in verband met de dolkstootlegende “nationalisme en [...] revanchegedachte” oplaaiden, mede door de bepalingen van de vrede van Versailles en de uitwerking daarvan.

3. Dit probleem was ook in 1944/45 in wezen een probleem van de geallieerden en hun eis van onvoorwaardelijke overgave, die geen grotere wijsheid dan in 1918 in het vooruitzicht stelde. Als de geallieerden, mede door wederzijds wantrouwen, niet met een Duits regime hadden willen praten dat zijn fatsoen in aanzienlijke mate bewezen zou hebben (en dat zulks in de bedoeling lag, wordt ook niet betwist door diegenen die aanmerkingen hebben op nationaal-conservatieve gedachten in delen van het verzet), dan lag de verantwoordelijkheid voor de verdere gang van zaken bij hen. Wilde men hen tot andere gedachten brengen, dan was een sterke Duitse oorlogvoering vereist. Dat wèl!

Tot zover de historische problematiek. Maar Heldring gaat verder en stelt de verbijsterende vraag “wat zwaarder weegt: die miljoenen levens die nog tussen juli 1944 en mei 1945 verloren zijn gegaan of de voorkoming van een nieuw nationalisme en revanchisme?” Dat een verzetsman “daags na de aanslag” aan zulk een gedachte uiting geeft en er - onkundig van wat er nog zou gebeuren - enige schrale troost in zoekt, is begrijpelijk. Dat Joachim Fest deze opmerking “het (misschien) verstandigste woord [...] over de aanslag en het verzet” vindt, plaatst de man in de schare van Duitsers die hun aanhankelijkheid aan de democratie overdrijven door hun naoorlogse blazoen belangrijker te vinden dan voorkoming van grootschalige ellende door oorlog en dwingelandij. Het antwoord van Ludwig von Hammerstein is dan ook het moreel enig mogelijke, namelijk “dat, als de aanslag zou zijn geslaagd en de oorlog in Europa in de zomer van 1944 zou zijn beëindigd, er miljoenen levens zouden zijn gespaard, zowel aan de fronten als in de kampen”, en dat uit dien hoofde het mislukken van de aanslag te betreuren valt. Van iemand buiten Duitsland (en Oostenrijk) - dus als het ware aan deze zijde van het front - is deze vraag echter, mits serieus bedoeld, hooguit geoorloofd indien hij tevens op onze bondgenoten wijst als veroorzakers van het probleem.