Reservaat krijgt internationale prijs om voorbeeldfunctie voor Europa; Rietdekkers leven van Weerribben

Het laagveenmoeras 'De Weerribben' krijgt een internationale onderscheiding. Maar de vraag blijft in hoeverre de natuur zich verhoudt tot de toevloed van kano's en 'fluisterboten'.

KALENBERG, 13 AUG. Piet op 't Hof, districtshoofd van Staatsbosbeheer in Noordwest-Overijssel, zakt door zijn knieën op een stuk trilveen in de Weerribben. Hij woelt door de vegetatie en haalt een minuscuul plantje te voorschijn: “Kijk, dit is schorpioenmos, een uiterst zeldzame soort. Botanici staan te likkebaarden als ze het in de vrije natuur zien. En hier hebben we de wateraardbei, ook een specialiteit. Nee, de vrucht die komt pas later.”

Trilveen, een plantenpakket dat op het water drijft en veert onder de voeten, is op zichzelf al iets bijzonders. Heel Nederland telt amper zestig hectare van dit type begroeiing en daarvan bevindt zich ruim de helft in de Weerribben. Het is een van de redenen waarom het laagveenmoeras, tevens nationaal park, weldra een internationale onderscheiding krijgt. Op 20 augustus komt F. Albanese, directeur milieu van de Raad van Europa in Straatsburg, naar de kop van Overijssel om namens deze organisatie het 'Europees Diploma voor Natuurgebieden' uit te reiken aan M. Brabers, directeur van Staatsbosbeheer, dat de Weerribben onder zijn hoede heeft.

Het is de tweede keer dat de eer een Nederlands reservaat ten deel valt. Eerder, begin jaren zeventig, werd het diploma toegekend aan de Boschplaat op Terschelling. Sinds 1965 heeft de Raad van Europa 45 gebieden in zeventien lidstaten op deze manier onderscheiden.

De Weerribben (3.400 groot) zijn in de achttiende en negentiende eeuw ontstaan door vervening, het opbaggeren van laagveen voor de turfmakerij. Uitgeveende petgaten of 'weren' werden afgewisseld door smalle stroken land of 'ribben', waar de bagger te drogen werd gelegd. Toen hier de turfwinning voorbij was, legde de lokale bevolking zich toe op de rietcultuur met visserij en wat veeteelt als nevenberoep.

Daarnaast kreeg het gebied een zekere faam om zijn landschappelijke en biologische rijkdom. In de woorden van de beheerder: “De Weerribben kenmerken zich door een grote verscheidenheid aan water, rietland, trilveen, blauwgrasland en moerasbos”. Zeldzame vogelsoorten als puperreiger, snor en grote karekiet vinden hier een verblijfplaats en op het trilveen leeft een restpopulatie van de grote vuurvlinder, die verder in Nederland praktisch is uitgestorven.

In het hart van de Weerribben ligt het dorp Kalenberg, waar de dichter J.C. Bloem (“En dan: wat is natuur nog in dit land?”) de laatste jaren van zijn leven sleet. Hier is ook een kantoortje annex werkplaats van Staatsbosbeheer, waar districtshoofd Op 't Hof het hoe en waarom van de Europese onderscheiding verklaart. De begeerde status werd eind 1993 aangevraagd door het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, waarna een team van buitenlandse deskundigen onder leiding van de Belgische natuurspecialist prof. E. Kuiken gedurende vier dagen de Weerribben bezocht.

Op 't Hof: “Uit dat bezoek werd duidelijk dat ons laagveenmoeras aan de hoofdcriteria van de Raad van Europa voldoet. Om voor het diploma in aanmerking te komen, moet sprake zijn van een gebied dat door zijn natuurwetenschappelijke waarden, in het bijzonder zijn planten- en dierenwereld, en door de wijze van beheer een voorbeeldfunctie voor de rest van Europa vervult.”

Volgens Op 't Hof heeft 'Straatsburg' speciale waardering voor het feit dat streekbewoners via de rietcultuur nauw bij het beheer zijn betrokken. De rietvielden in de Weerribben zijn verpacht aan plaatselijke bedrijfjes, die de stengels regelmatig afsnijden en verwerking tot dakbedekking. Voor sommige Kalenbergers is dit een hoofdbron van bestaan, anderen putten neveninkomsten uit deze bedrijvigheid.

Maar er zijn van de kant van het deskundigenteam ook zorgen geuit en die betreffen de toevloed van 'vreemdelingen' in het gebied, dat is opengesteld voor waterrecreatie met kano's en 'fluisterboten' (op elektrische stroom), voor fietsers en wandelaars. Jaarlijks worden er rond de 750.000 bezoekers geteld, inclusief buitenlandse toeristen en natuurliefhebbers.

Op 't Hof: “Professor Kuiken en zijn mensen hielden hun twijfel of natuurbehoud zich verdraagt met recreatie in deze omvang. Wij van Staatsbosbeheer willen bewijzen dat ze wel degelijk samengaan zonder ecologische verliezen. Vroeger kreeg de recreant al gauw de schuld als de natuur achteruitging, maar meestal ten onrechte. Neem de zeldzame vogelsoorten die in de Weerribben broeden: de purperreiger, de snor en de grote karekiet. Als die in aantal verminderen, heeft dat vooral te maken met de wijze van beheer, waaronder het maairegime, met de waterkwaliteit en de toestand in Afrika, waar deze vogels overwinteren en ten offer kunnen vallen aan droogte en afschot. Die factoren hebben veel meer invloed op de vogelstand dan de rustige vormen van recreatie die wij toestaan.”

De toekomst moet leren of hij gelijk heeft. Over vijf jaar komt er, krachtens standaardprocedure, weer een deskundigenteam naar Overijssel om te controleren of de Weerribben het Europese diploma nog waard zijn.

“Dan gaat het”, zegt Op 't Hof, “om de vraag of de natuur in dit gebied sinds 1996 is verarmd of juist verbeterd en staat de combinatie natuur-recreatie opnieuw ter discussie.”