Lachen bij crematie

De Hagenaar in mij was vorige week vrijdag in zijn element. Dat klinkt bijna ongepast, omdat het hier een crematie betrof, namelijk die van Jan Holleman, oer-Hagenaar, oer-sportman, interlandvoetballer in 1946 en een keer of vijf tenniskampioen van Nederland bij de veteranen.

Dit relaas wordt uitgesproken bizar als ik u vertel, dat tijdens de herdenkingsdienst in de aula op Ockenburg herhaaldelijk gelach opklonk - en dat had niets met gebrek aan respect voor de overledene te maken. Om dit volledig te kunnen begrijpen, moet men Jan Holleman hebben gekend. Zoals zijn zoon opmerkte, was hij altijd goedgehumeurd. Een zondagskind, een levensgenieter pur sang. Een aantal jaren tijdens en na Wereldoorlog II was hij de rechtsbuiten van VUC in een voorhoede waarin ook de gebroeders Bertus en Karel de Harder opereerden. Het aardige was, dat Holleman volkomen zijn plaats in de bestaande pikorde kende. Hij moest met de bal aan de voet als een hazewind langs het lijntje spurten en, eenmaal in de buurt van de hoekvlag gekomen, hoog voorzetten. Anderen, zoals Joep Brandes, zorgden dan voor de afwerking. Nu kon Holleman inderdaad erg hard lopen. Op de jaarlijkse atletiekdag van zijn vereniging schijnt hij de honderd meter eens in 11,6 seconden te hebben gelopen. Op voetbalschoenen en op een grasbaan.

Jan Holleman heeft zich eens de gramschap van de sportredacteur van Het Binnenhof op de hals gehaald door op een zaterdagavond te schitteren op de dansvloer van het Scheveningse Palais de Dance, in plaats van in de vredige huiskamer naar De Familie Doorsnee te luisteren en om tien uur onder de wol te kruipen. Als Ronald Koeman dat in Alma Ata doet is het huis te klein, maar de amateur Holleman kon men weinig maken. Hij zorgde trouwens wel voor een uitstekende conditie, ondanks zijn beslommeringen in de horecawereld. Maar hij leek volstrekt zorgeloos. Dankzij Faas Wilkes werd hij een paar keer in het oranje gestoken. Wilkes stuurde hem steeds richting cornervlag en Holleman wist wat hem te doen stond - tot de betere technicus Guus Dräger zich aan het front kwam melden. Maar voordien had de VUC-rechtsbuiten zich internationaal gepresenteerd, namelijk in Luxemburg waar Oranje zich voor het eerst na de oorlog liet zien. Holleman, die toen in horloges handelde en als beroep 'juwelier' in zijn paspoort had laten zetten, meldde bij KNVB-official Lou Bouillon dat hij veel geld bij zich had en gaarne bereid was zijn geluk met anderen te delen. Bouillon reageerde, geheel in de stijl van de bond, ietwat zuinig. Er viel echter weinig stuk te slaan, want het groothertogdom herdacht de oorlog met een boetedag: alle tenten waren gesloten.

Hij was een man zonder chagrijn. Wel sterk gericht op zichzelf, waardoor het vermoeden kon ontstaan dat we met een egoïst te doen hadden. Een trouw echtgenoot en in kinderopvoeding gespecialiseerd vader was hij niet. Hij was er te ongedurig voor. Eens, toen zijn zoon op een middelbare school in Voorburg zat, zag hij de Porsche van zijn vader bij de school geparkeerd staan. Zowaar ging de gedachte door hem heen, dat vader Jan hem van school kwam halen. Dat was nooit eerder gebeurd. Maar de auto was leeg. Hij wachtte en zag zijn vader aankomen: stijf gearmd met een heel jong meisje. “Goed dat ik je tref”, zei Jan, “dan kan ik je voorstellen aan dit aardige meisje.” “Hoeft niet”, antwoordde de zoon. “Ze zit bij mij in de klas.” Persoonlijk heb ik nog met Holleman in een 'wild' elftal gespeeld, dat geheel was opgetrokken uit op de beroepslijst geplaatste voetballers. Alle sportjournalisten vielen toen onder die belachelijke regeling, die dan ook niet lang heeft geduurd. Voetballen met Holleman was enig. Hij werkte hard, maar maakte voortdurend geintjes. Haagse humor van aanzienlijke klasse. Hij had bovendien een aansprekende charme voor vrouwen. Ik heb dan ook nergens bij een crematie of begrafenis zoveel aantrekkelijke, jonge dames gezien als daar op Ockenburg. In welke relatie ze tot de ontslapene hadden gestaan, is mij onbekend, en dat vind ik prima.

Drie weken eerder dan die vrijdag op Ockenburg had ik Holleman nog gesproken op de tribune van de Mets. “Je ziet eruit als een goudhaantje”, zei ik. “Zo voel ik me ook”, zei Jan. Drie dagen later viel hij voorgoed om, op de derde hole van een golfbaan in de buurt van Den Haag. Hij was 77.

    • Herman Kuiphof