'Industriefonds voegt weinig toe'

DEN HAAG, 13 AUG. De zogeheten Industriefaciliteit heeft een zeer beperkte toegevoegde waarde en onderscheidt zich nauwelijks van reguliere particuliere kredietfaciliteiten. Dat blijkt uit onderzoek van het Bureau voor Economische Argumentatie.

De Industriefaciliteit - waarvoor financiers bijna 900 miljoen gulden ter beschikking hebben gesteld - is in 1993 door toenmalig minister van Economische Zaken Andriessen gelanceerd om de industriële infrastructuur van Nederland te verbeteren. Bedrijven die geld willen van dit fonds zouden de kern moeten vormen van een cluster hoogwaardige activiteiten op het gebied van technologie, werkgelegenheid en kennis.

Tot nu toe hebben twee ondernemingen - kopieermachinefabrikant Océ-van der Grinten en pc-fabrikant Tulip - voor samen 70 miljoen gulden een beroep op de faciliteit gedaan. Océ kreeg 50 miljoen, het maximale bedrag, bestemd voor ontwikkeling van een nieuwe generatie kopieerapparaten. Tulip zet met 20 miljoen gulden van het fonds, verstrekt als achtergestelde lening, verkoopkantoren op in het Verre Oosten.

“De VVD heeft altijd kritisch gestaan tegenover deze regeling”, zegt het Tweede-Kamerlid Voûte (VVD). “Er is voldoende risicokapitaal. Dat blijkt uit het feit dat slechts twee bedrijven een beroep op de faciliteit hebben gedaan. Als de faciliteit wordt afgeschaft, zijn we daar niet rouwig over. De overheid moet doen waar ze goed in is.”

Volgens haar collega Van Gelder (PvdA) heeft de faciliteit een duidelijk positief effect: “Het was - en is misschien nog steeds - een goed drukmiddel op de banken die begin jaren negentig niet zo veel werk maakten van het ter beschikking stellen van risicokapitaal.”

Van Gelder, die destijds minister Andriessen aanspoorde een industriefonds te creëren, wil de faciliteit nog niet afschaffen. “We zullen serieus moeten kijken hoe en onder welke condities de faciliteit kan worden gecontinueerd.”

Volgens D66-woordvoerder Van Walsem heeft de faciliteit zijn langste tijd gehad. “Er is genoeg particulier riscodragend kapitaal”, constateert hij. Van Walsem wil eerst een “inhoudelijke discussie” met minister Wijers (Economische Zaken) voeren voordat hij een definitief standpunt bepaalt. Volgens Economische Zaken stuurt Wijers nog deze maand een reactie op het onderzoek van het Bureau voor Economische Argumentatie naar de Tweede Kamer.