'Het Paard' Castro, onverstoorbaar, wordt zeventig

ROTTERDAM, 13 AUG. Zondag nog liep een Cubaanse honkbalspeler naar de uitgang van het Amerikaanse stadion in plaats van de kleedkamer en gisteren haalde de Amerikaanse kustwacht tien mensen en een kinderlijkje uit zee, nadat de gammele sloep waarmee ze waren gevlucht was omgeslagen.

De Cubanen verlaten hun land of willen niet terug, maar El Caballo (het paard) zit rustig op de plek waar hij al 37 jaar zit. Fidel Castro, de leider van de Cubaanse revolutie van januari 1959, wordt vandaag 70 jaar oud. Hij overleefde acht Amerikaanse presidenten, misschien wel evenveel pogingen van de Amerikaanse CIA hem te verwijderen en een dertig jaar oud handelsdembargo, waarvan de laatste aanscherping nog maar enkele weken oud is en tot woedende reacties uit met name Europa heeft geleid. Want elk bedrijf dat zaken doet met de Cubanen kan volgens de enkele weken geleden door president Clinton bekrachtigde Helms-Burton wet 'gestraft' worden met een verbod op handel met de Verenigde Staten.

Voor El Caballo (in Cuba wordt van een moedig man gezegd dat hij 'een paard is') maakt het allemaal niet uit. Hij weet dat hoe harder de Amerikanen zijn regime aanpakken, des te sterker de Cubanen die niet weg kunnen of willen, zich tegen de 'yankis' zullen keren. Niet uit een overdaad van liefde voor Fidel Castro, maar uit nijd over de minderwaardige positie, de gekrenkte trots.

Castro vaart er wel bij, al beseft ook hij dat zijn leven eindig is en daarmee de Cubaanse revolutie. In een speech afgelopen juni aan het slot van het negende Congres van de Pioniers, dat voornamelijk bezocht wordt door kinderen, zei Castro dat hij “nooit had gedacht zeventig jaar oud te zullen worden”. “Plotseling ontdek ik dat alles achter de rug is en dat het leven zijn grenzen heeft”, zei Castro. Maar hij toonde zich tevreden over “de menigte goed voorbereide jonge mensen” die de revolutie kent. “Ik ben gelukkig dat een groot aantal nieuwe leiders de posten van de eerste generatie heeft overgenomen. Wij zijn gelukkig omdat de leiding in vaste handen is van de partij en het bestuur van de staat, die in eerste instantie verantwoordelijk is voor het lot van het land.”

Castro delegeert al geruime tijd de leiding aan een jongere generatie. De belangrijkste man daarbij lijkt Carlos Lage, een 44-jarige arts. De technocratische Lage heeft de rol van eerste minister op zich genomen.

Een ander lid van de Cubaanse leiding die zich naar de voorgrond dringt is Ricardo Alarcón, de voorzitter van het 'parlement' die onder andere de gesprekken met de Verenigde Staten voert. Ook Roberta Robaina, de minister van buitenlandse zaken, is een snel rijzende ster.

Maar zij zijn geen opvolgers van de leider zelf. De meest voor de hand liggende persoon daarvoor is Castro's broer, Raúl, de 65-jarige minister van defensie. Raúl heeft de reputatie een hardliner te zijn, hoewel hij zich een voorstander heeft getoond van economische hervormingen. Sommige 'Westerse waarnemers' (voornamelijk Amerikanen) menen dat een 'modern' en 'collectief' leiderschap de plaats zal innemen van Fidel.

De weg daarvoor zou door Castro worden geplaveid met tactische zetten zoals toelaten van buitenlands kapitaal en het voorzichtig toestaan van handel. De keuze 'socialisme of sterven' ligt de leider echter nog altijd in de mond bestorven.

Castro wordt door zijn aanhangers nog op handen gedragen. Voor de buitenwereld werkt hij nog altijd twintig uur per dag en loopt hij regelmatig een halve marathon door de suikerrietvelden.

In zijn 'paleis' kampt hij met hart- en spraakproblemen. Maar over de vraag hoe lang de leider nog aan de macht blijft, durft niemand binnen of buiten Cuba te speculeren.