Een voortdurend koorddansen

Vroeger gingen monarchieën ter ziele als gevolg van een verloren oorlog of een revolutie. Dat is nu een weinig waarschijnlijk einde voor de monarchieën die in Europa nog overgebleven zijn. Als ze ooit de laatste adem uitblazen, dan zal dit eerder zijn doordat ze zichzelf overbodig of onmogelijk gemaakt hebben.

Daar is de Britse monarchie, die nog een paar jaar geleden onverwoestbaar leek, hard op weg naar toe. Gelukkig is de Nederlandse monarchie tot dusver de onsmakelijke taferelen bespaard gebleven waardoor haar Britse neven en nichten zich - in hun koningshuis - belachelijk hebben gemaakt.

Toch mogen we ook in ons land wel de vraag naar de duurzaamheid van de monarchie stellen. De aanleiding is minder ranzig dan in Engeland, hoewel esthetisch ook niet van het hoogste gehalte. Bedoeld is het optreden van prins Willem-Alexander tijdens de Olympische Spelen te Atlanta, waarover al veel geschreven is en zelfs enquêtes gehouden zijn.

Terecht zei het hoofdartikel van 9 augustus dat leden van het koninklijk huis “anders dan anderen” zijn. Zij zijn dat alleen al doordat zij uitsluitend krachtens geboorte de status genieten die zij hebben. De monarchie staat en valt met dit uitzonderlijke, dat vanzelf een zekere distantie schept tot de gewone mensen. Wie die distantie niet betracht, ondermijnt de bestaansreden van de monarchie.

We kunnen het ook anders zeggen: de erfelijke monarchie is de laatste herinnering aan het sacrum in de samenleving. Daaraan te geloven wordt steeds moeilijker in een geseculariseerde maatschappij, maar dan moet het spel, dat altijd een doen-alsof is, wel gespeeld worden volgens de regels. Onze huidige koningin verstaat die kunst voortreffelijk. Haar oudste zoon, de troonopvolger, lijkt daar meer moeite mee te hebben, zoals zijn uitbundigheid in Atlanta bewijst.

Nu zal men misschien zeggen: maar dat maakt hem juist zo populair. Of: laat hem toch, 't is een gewone jongen. Dat laatste is natuurlijk niet waar, zoals het hoofdartikel heel juist opmerkte. En wat het eerste - zijn populariteit - betreft: dat verweer is niet terzake.

Waarom niet terzake? Omdat een uitzonderlijk, zo men wil: 'heilig', instituut als de monarchie nooit kan afhangen van de volksgunst. Die kan op z'n hoogst een bonus zijn. Wordt zij bepalend, dan wordt daarmee de zin aan de monarchie ontnomen. Dan kunnen we net zo goed, zoals in de Verenigde Staten, om de vier jaar het staatshoofd door het volk laten kiezen. Daar is het dan ook een wedstrijd om de populariteit. Maar daar is de winnaar dan ook meteen verantwoordelijk. Hij kan ook, zoals één maal gebeurd is, afgezet worden - en niet door een revolutie.

In een moderne samenleving, beheerst door de media, is het voor de leden van een monarchie een voortdurend koorddansen tussen enerzijds de noodzaak een zekere distantie tot de rest te bewaren en anderzijds de wil een weerspiegeling van de samenleving te zijn. De Britten zijn te veel de ene kant, onze kroonprins is te veel de andere kant uit gevallen.

Er is nog een ander aspect aan 's prinsen aanwezigheid in Atlanta en zijn vereenzelviging met de Nederlandse massa daar - een aspect dat hare majesteit waarschijnlijk evenmin zal bevallen. En dat is het ongeremde nationalisme dat zich daar manifesteerde, gesteund en aangewakkerd door alle publiciteitsmiddelen.

Zeker, dat was geen Nederlandse eigenaardigheid. Alle bezoekers en hun achterbannen hebben zich daaraan bezondigd. Atlanta was dus, evenals trouwens zijn voorgangers, een kermis van nationalismen. Of die nationalismen wel zo onschuldig waren als wordt beweerd, is nog de vraag. In elk geval zijn ze moeilijk in overeenstemming te brengen met de internationale broederschap, die de stichters van de Spelen hebben beoogd.

Waar ze ook niet mee in overeenstemming te brengen zijn, zijn de gevoelens die de koningin drie maanden geleden tot uitdrukking heeft gebracht in haar rede te Aken, waar zij de Karelsprijs ontving voor haar inzet voor de Europese eenwording. In die rede namelijk heeft zij gewaarschuwd voor de gevaren van een “sterk en rampzalig nationalisme”. En zij haalde, kennelijk met instemming, de woorden van wijlen president Mitterrand aan: “Le nationalisme, c'est la guerre.”

Nu, met deze gevoelens is het optreden van haar zoon in Atlanta moeilijk te rijmen.

Weliswaar zal de nationalistische stemming waardoor hij zich liet meeslepen, niet zo gauw tot oorlog leiden, maar van waardering, of zelfs maar belangstelling, voor de prestaties van anderen getuigde het ook niet bepaald. Het is het nationalisme dat zich ook bij en na internationale voetbalwedstrijden manifesteert, en als dat niet rampzalig is, is het in elk geval wansmakelijk.