De relatie tussen Van Ostaijen en de broeders Jespers belicht; Met beitel, kwast en pen de kunst rond de Eerste Wereldoorlog te lijf

Tentoonstelling: Floris en Oscar Jespers. De Moderne Jaren. T/m 3 nov. Het Hessenhuis, Falconrui 53, Antwerpen. Di t/m zo 10-16.45 u, gesloten op 1 november. Catalogus Bfrs. 1100.

'De bond zonder gezegeld papier'- onder die naam bezegelden, eind 1917 in Antwerpen, een dichter en drie kunstenaars hun artistieke samenhorigheid. Paul Joostens, Oscar Jespers en Floris Jespers waren de kunstenaars. De dichter heette Paul van Ostaijen.

Van Ostaijen was toen 21, een stuk jonger dan zijn kompanen. Toch zou hij zich ontpoppen als de mentor van het gezelschap. Hij moedigde zijn vrienden aan zich aan te sluiten bij de nieuwe, experimentele beeldtaal. Hij bracht ze in contact met publicaties en ideeën van de internationale avant-garde, en was hun vurige pleitbezorger. Hij kon ook scherp en schamper uithalen, als hij vond dat 'zijn' kunstenaars afweken van het rechte avant-gardepad.

Paul van Ostaijen is een stuk minder bekend geworden als kunstcriticus, kunsttheoreticus en artistieke leidersfiguur dan als dichter. Daarom wilde de stad Antwerpen, naar aanleiding van het honderdste geboortejaar van Van Ostaijen, een tentoonstelling wijden aan de betekenis van de schrijver voor de beeldende kunst. Jammer genoeg stak een juridisch probleem rond de nalatenschap van Paul Joostens een spaak in het wiel. Omdat het oorspronkelijke concept zonder Joostens weinig zin had, heeft tentoonstellingscommissaris Jean F. Buyck in het Hessenhuis een bescheidener programma uitgewerkt: Floris & Oscar Jespers, de moderne jaren.

De aandacht gaat dus uit naar de gebroeders Jespers: Oscar, de beeldhouwer, en Floris, zijn twee jaar jongere, schilderende broer. Maar Van Ostaijen blijft meespreken. Van de werken waarover hij schreef werden er zo veel mogelijk in de tentoonstelling opgenomen. Ze worden steevast begeleid door citaten uit artikels en essays van Van Ostaijen. Iets na 1928, het sterfjaar van de dichter, eindigt de tentoonstelling, ondanks het feit dat de Jespersen werkzaam bleven tot in de jaren zestig.

Zo zou je in het Hessenhuis niet alleen Floris en Oscar, maar ook de artistieke inzichten van Van Ostaijen op hun waarde kunnen schatten. Dat valt echter tegen. Over de futuristische prestaties van Floris was Van Ostaijen enthousiast - voor mij zijn het gewoon virtuoze bokkensprongen. In het werk dat Floris onder invloed van Rik Wouters maakt bespeurt de dichter toch al een 'eigen manier'. Vandaag valt vooral de oppervlakkigheid op waarmee Floris het maniertje van Wouters kopieert.

Tegen 1920 begint Floris met het kubisme te flirten en wordt hij een virtuoze navolger van brave kubisten als Gleizes en Metzinger. Wat wil je, Van Ostaijen schreef het hem voor: “(-) Studeer en herstudeer Le Cubisme van Jean Metzinger. Gelijk ik tans gezien heb is het Kubisme de duidelikste, meest exakte richting. Zij moet de nieuwe wereld de nieuwe stijl brengen(-).”

Maar misschien was dit gebrek aan doordachtheid voor Van Ostaijen niet zo'n punt. Belangrijker leek hem wellicht dat er nog iemand was die lak had aan het oubollige kunstklimaat in België.

Ook Oscar versleet heel wat voorbeelden, maar me dunkt heeft hij ze met meer bezonnenheid verwerkt. Vroege werken zoals 'Flor met de trui' of 'Vrouw haar voile strikkend' doen aan de sculpturen van Rik Wouters denken, maar de ruwe, geblokte geslotenheid van de vorm hoort bij Oscar. Dat bewijst zijn latere werk. In de jaren twintig probeert Oscar de menselijke figuur te verzoenen met constructieve principes, en maakt hij bewuster gebruik van de kracht van zijn materiaal: steen. De mooiste werken uit zijn 'moderne jaren' maakt hij eind jaren twintig. Het zijn eenvoudige koppen, met een gelaat dat in een paar strakke, forse lijnen is aangeduid. Het haar behandelt hij grover, met een patroon van meanderende groeven, of hij laat het gewoon in ruwe steen. De vorm is strak en beheerst, maar de herinnering aan het steenblok blijft bewaard.

Vlak na de Eerste Wereldoorlog trekt Paul van Ostaijen naar Berlijn, waar hij aan Bezette Stad werkt. Zijn 'Bond Zonder Gezegeld Papier' wordt stilaan los zand. En ook 'zijn' kunstenaars ontgoochelen hem. In het laatste artikel dat hij over Floris Jespers schrijft (in 1925) krijgt de schilder er duchtig van langs. Daarna geen woord meer.

Maar, oh ironie, net dan begint Floris heel aardig werk te maken. Gelukkig is het woord van de dichter niet in elke hoek van het Hessenhuis wet, en heeft men aan de schilderijen uit de late jaren twintig een apart zaaltje gewijd. Heel frivool zijn ze, vol delicate kleurenweelde, oppervlaktegenot en heerlijk overbodige, narratieve details. Menselijke figuranten worden verknipt, of op een grappige manier bekleed met textuureffecten en andere decoratieve snufjes. Plots wordt Floris een heel onserieuze modernist, een lichtvoetige eclecticus. Terwijl hij tevoren als een kip zonder kop van alles had uitgeprobeerd, smeedt hij datzelfde gebrek aan stijlvastheid binnen één en hetzelfde werk om tot een perverse koketterie.

Wat zou de dichter daarvan gevonden hebben? Moeilijk te zeggen. De laatste jaren van zijn leven zou Van Ostaijen alleen met Oscar in contact blijven, de beeldhouwer aan wie hij in zijn Berlijnse tijd de zorg had toevertrouwd voor Bezette Stad.

Overigens had de tentoonstelling bij dit soort samenwerking tussen dichter en kunstenaars meer uitleg mogen bieden. Dat de omslag van de bundel 'Het Sienjaal' (1918) iets met Floris te maken heeft, moet je raden. Bij Bezette Stad (1921) is wel het omslagontwerp van Oscar te zien, maar verdere toelichting over de rol van de beeldhouwer ontbreekt.