De ongemakkelijke granieten waan van een dode dictator

Onze correspondenten berichten met nieuwsgierige verwondering en per definitie met enige afstandelijkheid over hun eigen land of gebied. Deze zomer leggen ze hun journalistieke distantie af en onthullen ze hun favoriete toevluchtsoord.

Het Monumento de los Caídos, het Monument der Gevallenen, is het merkwaardigste monument van Spanje. Het kolossale granieten kruis in de vallei van het Guadarrama-gebergte is bij helder weer zelfs te zien in Madrid, zestig kilometer zuidwaarts. Maar bij de herdenking van de zestigste verjaardag van het begin van de Spaanse Burgeroorlog, die de afgelopen weken plaatshad, werd zorgvuldig gezwegen over het monument.

Het moeten euforische gevoelens zijn geweest die Franco bevingen toen hij een jaar na zijn overwinning het decreet voor de bouw van het monument door de ministerraad loodste. “Het was een van de meest bewogen momenten in mijn leven, en het frisse bergbriesje van die aprildag in 1940 droogde de tranen die over mijn wangen liepen”, zo laat de schrijver Manuel Vázquez Montalbán de Caudillo zeggen in de gefingeerde 'Autobiografie van Generaal Franco'.

“Zo begon dat vorstelijke en poëtische wonder van architectuur”, vervolgt de autobiografie. Bijna twintig jaar lang werkten tienduizenden, aanvankelijk uitsluitend dwangarbeiders uit het overwonnen kamp, aan de in graniet opgetrokken droom van de dictator. Er verrees een monument dat het even verderop gelegen kloosterpaleis Escorial van Filips de Tweede naar de kroon moest kunnen steken.

Menig einde van een regiem ging gepaard met het geluid van dynamiet en sloophamers, maar Spanje's vreedzame overgang naar de democratie kende nooit een hardhandige afrekening met het verleden en haar symbolen. Nog steeds wordt ons daarom een uniek kijkje gegund in de wanen van de dictator, die deze kruising tussen gebedskoepel, atoomschuilkelder en praalgraf tot gevolg hadden.

Men bereikt het monument via een kilometers lange betonnen weg omhoog langs een somber landschap van dennenwoud en granieten steenklompen. Een oprijlaan als van een crematorium. Eenmaal boven kan de voet van het kruis worden bezocht met een rammelend kabeltrammetje. Het gevaarte schiet 150 meter de lucht in en weegt inclusief enkele monsterlijke beeldhouwwerken, bijna 182.000 ton, zo meldt een toelichtend boekwerkje. Een speciaal meetpunt met seismische en atmosferische apparatuur moet voorkomen dat de zaak zonder waarschuwing vooraf in elkaar dondert.

Weer afgedaald met kabeltram krijgen de bezoekers nieuwe verrassingen te zien in de vorm van de Basiliek die de krijgsgevangenen hakten uit het massieve graniet van de kruisberg. Een zuilengalerij, de fascistische wapenschilden aan beide zijden, geeft toegang tot het onderaardse gebedshuis. Een lange, marmeren tunnel ontsluit de crypte met het meer dan 260 meter lange hoofdschip. Wraakengelen met vlijmscherpe zwaarden houden de wacht bij de toegang. De gietijzeren toortsen verspreiden het kille licht van spaarlampen. Aan de wand kunstig vervaardigde kopieën van zestiende eeuwse Brusselse tapijten waarop de Apocalyps wordt weergegeven.

De dictator zelf ligt iets verderop, achter het hoofdaltaar. Op zijn simpele marmeren grafsteen een verlept bloemstuk met de Spaanse vlag. Een Franse toerist die achterwaarts lopend het schreeuwende plafondmozaïek bewondert, struikelt erover zonder dat iemand er aandacht aan besteedt.

Aan de voorzijde van het altaar ligt José Antonio Primo de Rivera, oprichter van de Spaanse Falange. Wie goed luistert, moet het onrustig rammelen van zijn botten horen. Wederzijds bestond er immers niet veel affiniteit tussen Franco en de charismatische oprichter van de Falange. Primo de Rivera werd 20 november 1936 door de republikeinen geëxecuteerd, Franco zou een paar jaar later korte metten maken met het oorspronkelijke gedachtegoed van de oude Falangistische beweging.

José Antonio bleek voor Franco als dode mythe aanzienlijk meer waard dan als levende concurrent. De verering ging zo ver dat de artsen tot 20 november 1975 wachtten tot zij de stekker uit de batterij aan medische apparatuur trokken die het lichaam van de Caudillo in leven hield. Door aldus de goddelijke voorzienigheid een handje te helpen werd een mooie herdenkingsdatum gecreëerd.

In hun rotsgraf worden Franco en José Antonio gezelschap gehouden door de stoffelijke resten van zeker 40.000 gevallenen van de Burgeroorlog. Een ideetje van de Caudillo om bij wijze van nationale verzoening beenderen uit beide kampen in het catacomben bij te zetten. Er mag evenwel van uit worden gegaan dat het vooral de gevallenen aan nationalistische zijde zijn die uiteindelijk in de rotsen verdwenen.

Een krappe veertig jaar na de opening kan het “vorstelijk en poëtisch wonder van architectuur” rustig worden bijgezet in het toeristische rariteitenkabinet. Als symbool blijft het een ongemakkelijk bouwwerk voor Spanje. Nergens meldt een toelichtende tekst de geschiedenis van het monument, nergens wordt gerept over de omstandigheden waaronder de honderden miljoenen kilo's graniet werden opgedolven en bewerkt. Ook ontbreekt iedere verwijzing naar de twee beroemde doden die in de rotskapel bewaard worden. Bij zijn graf is zelfs geen sleutelhanger van de Caudillo te verkrijgen. Wie het onderaardse rotsgewelf verlaat en het souvenierwinkeltje passeert, ziet uitsluitend het reusachtige stenen exercitieveld, leeg en kil, als ultieme uitdrukking van zijn nalatenschap.