Braaf jongetje wordt inbreker

Martine Letterie, Het schorriemorrie van de Pruk. Ill. Kees de Kiefte, Uitg. Ploegsma, 110 blz., vanaf tien jaar. Prijs ƒ 28,50.

Een stoet van ridders, kwijnende jonkvrouwen (al dan niet in torens), prinsen, troubadours, herders en scheepsmaatjes bevolkt de historische jeugdliteratuur. Vooral de Middeleeuwen zijn geliefd bij schrijvers van kinderboeken, zelden kiezen zij als decor de achttiende eeuw. Martine Letterie bracht hier verandering in: Het schorriemorrie van De Pruk speelt zich af in Den Haag, rond 1770.

Letterie is een historisch letterkundige, afgestudeerd in het Middelnederlands. Ze werkt onder andere voor Bumper en Tikker, tijdschriften over literatuur voor middelbare scholieren. Tot nu toe doceerde zij alleen over kinderboeken en zij was van 1990 tot 1993 lid van de Griffeljury, maar omdat ze van mening was dat er te weinig goede historische romans voor kinderen bestonden besloot ze er zelf een te schrijven.

Ze liet zich inspireren door haar eigen geschiedenis: twee van haar voorouders waren 'tuindieven' en leidden een inbrekersbende. Ze kwamen uiteindelijk in het gevang terecht door het verraad van een elfjarig bendelid, Willem van Esch. Hij is de hoofdpersoon in Het schorriemorrie van De Pruk.

Het boek heeft een zeldzaam onaantrekkelijk omslag, gemaakt door Kees de Kiefte, met bleke figuren op een beige ondergrond, maar wie het openslaat stuit meteen op een prachtige oude plattegrond van 's-Gravenhage. “Aan zyne Vorstelyke Doorluchtigheyd Willem de V” staat erop, maar helaas is nergens in het boek vermeld hoe oud de kaart is en waar hij vandaan komt. De achterflap meldt dat de originele rechtbankverslagen en de correspondentie tussen de baljuw van de stad en het Hof van Holland, door Letterie omgezet in modern Nederlands, zijn opgenomen in het boek. Er ontbreekt echter een verantwoording, zo geschreven dat tienjarigen het kunnen volgen. Nu is alleen aan de dankbetuiging aan het Haags Gemeentearchief voorin het boek te zien dat er voor dit boek onderzoek is verricht.

“Zet uw schout en rakkers aan het werk”, schrijft de rechter-commisaris van het Hof op 18 november 1771 aan de Haagse baljuw. “Er moet dringend wat gedaan worden aan de toename van de hoeveelheid inbraken.” Met deze brief begint het boek, om dan de verrichtingen van Willem te volgen, die in de laatste paar maanden “van een onhandige stuntel (...) een volleerd inbrekersmaatje” is geworden. Zijn taak is van te voren poolshoogte te nemen op de plaatsen waar ze gaan inbreken.

In de koude winter van 1771 moest Willem lid worden van de bende. Zijn omstandigheden waren hopeloos. Zijn ouders wilden na de dood van zijn zusje niets meer van hem weten en weigerden hun eten met hem te delen. Letterie benadrukt vaak dat straatarme mensen zoals dit jongetje weinig keuze hadden. Hij moest wel. Een slechterik is hij natuurlijk niet, maar anders was hij van de honger gestorven. Bovendien vervangen de bendeleden, die vriendelijk tegen hem zijn en hem waarderen als uitkijkpost, zijn kille familie.

De uitgebreide uitleg van Willems beweegredenen doet af aan de kracht van het verhaal. Er blijft zo weinig te raden over en je zou haast gaan wensen dat Willem iets minder op zijn tijdgenoot de Brave Hendrik leek.

Interessanter is Willems ontluikende politieke interesse. In het tuchthuis beland heeft hij alle kans na te denken over de verschillen tussen arm en rijk en hoe het beter zou kunnen in de maatschappij. Voordat hij inbreker was bracht hij de 's Gravenhaege Courant rond van de orangistische Gosse. Maar Letterie's uitleg van het verschil tussen orangisten en patriotten is helaas te summier. De eersten verwachten dat de stadhouder Willem van Oranje veranderingen ten gunste van de armen door zal voeren, maar ook de tegenpartij stelt vernieuwingen in de verdeling van de rijkdom voor.

“Wat ze precies wilden was voor de armere mensen, die vaak lezen noch schrijven konden, moeilijk te begrijpen. Ze dachten dat dit een ingewikkelde manier was om toch de regentenfamilies te steunen.” Meer woorden worden niet aan de kwestie vuilgemaakt, waardoor ook de lezer onwetend blijft over wat iedereen nou precies wilde. Dat is jammer, want het verhaal op zichzelf is spannend en geeft een mooi beeld van de jaren zeventig van de achttiende eeuw, aan de hand van de lotgevallen van zomaar een klein arm jongetje.