Zeg maar dat Sarah terug is in Amsterdam

“Mag ik je iets vragen?” vroeg ze. Een meisje aan de overkant van de straat, gekleed in een spijkerbroek, een houthakkershemd en een pet, twee sporttassen over haar schouders, liep naar me toe en ik keek verbaasd op. Ik was moe, wilde slapen en had net twee vuilniszakken buitengezet. “Mag ik je iets vragen?” vroeg ze nog een keer.

En even later zat ze met een bak cornflakes op de stoel in mijn kamer. Ik keek haar aan. Haar zwarte haren hingen waaierig om haar hoofd. Ze had lange nagels en mooie gladde handen. Haar gezicht zag er verweerd uit, maar ik kon zien dat ze mooi was geweest. Het was geen meisje, mijn eerste nachtelijke indruk was onjuist, en ook was ze geen onverwachte reizigster, of misschien alleen voor mij.

Het pak cornflakes smaakte haar goed. Onder onverstaanbaar gemompel tegen haar bord, slechts zo nu en dan onderbroken door een felle uithaal richting radio, gleed de maïssubstantie haar lichaam in.

“Wat?” vroeg ik, nadat ze tijdens een pauze weer iets onverstaanbaars had gezegd.

Ze had haar rechterwijsvinger tegen haar rechterslaap gelegd en schold op Henkie. Nee, verbeterde ik mijzelf, ze praatte met Henkie. Ik keek links en rechts van haar maar zag geen Henkie. Gôh. Ik heet ook geen Henkie. Ik liet haar uitpraten en vroeg haar hoe dat nou was.

Raar, zei ze.

Shit, dacht ik, hoe krijg ik haar weg.

Maar ik wilde geen lastige beslissing nemen, of tenminste; nog niet, en ze mocht telefoneren. Misschien weet ze iemand te bereiken waarbij ze wél kan slapen, dacht ik. Maar nee. Onduidelijke boodschappen werden aan voor mij onbekende personen doorgegeven. Dat wil zeggen: of Klaas aan Mario tegen Guusje van 't Landt wilde zeggen dat Sarah in Amsterdam was.

Treuriger werd het toen ze haar ouders belde. Ze was clean, dronk niet meer, slikte niet meer en ging morgen naar het arbeidsbureau. Maar hoe graag ze het ook wilden, haar ouders konden haar niet meer helpen. Ik stelde mij twee door en door gebroken ouders voor, uit een braaf middenstandsdorp in het midden van het land, een gezin dat vroeger op vakantie naar Spanje, Frankrijk en Italië ging (dat had Sarah mij verteld) en ik kreeg daar gelijk in toen ik haar moeder aan de telefoon kreeg.

Ze vertelde huilend zonder tranen dat Sarah al twee weken vermist was, dat ze weggelopen was uit een of andere goedbedoelde instantie, en nu ineens hier was. Maar ik kon haar ouders niet helpen en zei dat ook. Het leven is hard, dacht ik.

Ja, nu was ze ineens hier. Hoewel ik tegen haar moeder had gezegd dat ik haar op straat zou zetten, kreeg ik daar nog minder zin in. Niet gelovig, maar toch christelijk in hart wilde ik haar de deur niet wijzen. En eigenlijk had ik, behalve dat ze wellicht verslaafd was, ze slikte in ieder geval valium, en psychotisch, waar ik trouwens de werkelijke betekenis niet eens van wist, geen reden haar nu, op dit moment, de deur te wijzen.

Dus mocht ze blijven.

Ze had gedoucht en rookte nog een laatste shaggie. Ze zat op het matras dat ik op de grond neergelegd had en ze praatte; deels tegen zichzelf, deels tegen mij. Ze had het over vroeger, over gek worden (“de eerste keer dat ik het kreeg dacht ik, ik word gek!”), over verschillende opvangcentra (Sarah's oord), junkies (ze doen echt hun best!) en afkicken. “Want de beste manier om af te kicken”, zei ze, “is tussen de junkies.”

Ik deed het licht uit en hoorde hoe ze in slaap viel. Haar ademhaling was snel, maar ze sliep rustig. Rond drie uur maakte ik haar per ongeluk wakker toen ik terug kwam van de wc. “Geeft niet”, zei ze, “ik ben een lichte slaper.”

Een uur later viel ik ook in slaap.

's Ochtends. Ze had net een valiumtablet ingenomen, en ongeduldig wachtte ik tot ze klaar was met inpakken. Als een blok had ze geslapen, vertelde ze. Ik was moe. Nadat ze haar spullen had gepakt, en we bij de bakker wat eten hadden gehaald, liepen we naar de tram. Ik neem lijn 11, zei ik. “Ik ook!” antwoordde ze.

We zaten in de tram en de mensen voor ons keken verschrikt om. Sarah schold op de bestuurder, want we gingen niet snel genoeg, en ook praatte ze weer in zichzelf. Moest ze eerst naar de Angels, of gelijk naar het arbeidsbureau? Of zou ze eerst naar het centrum gaan. In ieder geval had ze dorst, en ik zei tegen haar dat ze uit moest stappen als ze naar het centrum wilde gaan in een tram waar geen controle was.

Ze stond op en ik gaf haar haar sporttas aan.

“Bedankt voor alles”, zei ze, en ze gaf me drie zoenen.

Ze is helemaal in de war, had haar moeder gezegd, wat moeten we doen, had ze gevraagd. Ik keek hoe ze met twee verschillende sportsokken over haar legging de stad in verdween.

Dag Sarah, zei ik zachtjes.

    • Eppo Ford