RAFAEL KUBELIK 1914-1996; Tsjechische instincten

De van oorsprong Tsjechische dirigent en componist Rafael Kubelik, die gisteren op 82-jarige leeftijd overleed in Luzern in zijn tweede vaderland Zwitserland, had de bijnaam 'de musicus van de spontane emoties'.

Een van die instinctieve gevoelens die hij in daden omzette, was het verlaten van Tsjechoslowakije na de communistische machtsovername in 1948. Pas in 1990 keerde hij daar, na de 'fluwelen revolutie', terug voor het dirigeren van het openingsconcert van de 'Prager Frühling', het lentefestival dat hij zelf in 1946 had opgericht. In 1968 droeg ook de ontspanning van het communistische regime onder leiding van Alexander Dubcek de naam 'Praagse lente', tot Russische tanks daar een einde aan maakten.

Kubelik leidde bij zijn rentree in zijn vaderland het Tsjechisch Philharmonisch Orkest op het plein in de oude stad van Praag in een uitvoering van Ma vlast ('Mijn vaderland') van Smetana. De Tsjechische president, Vaclav Havel, tijdens de communistentijd een vechter voor vrijheid, noemde het overlijden van Kubelik gisteren “een groot verlies voor de Tsjechische republiek.” Havel roemde Kubelik om zijn werk ten gunste van de Tsjechische muziek, maar ook om “zijn vaderlandslievende eigenschappen en zijn briljante persoonlijkheid.”

Rafael Kubelik werd geboren op 29 juni 1914 in het plaatsje Bychor, dertig kilometer ten oosten van Praag. Hij was de kleinzoon van een Tsjechisch componist en de zoon van de legendarische Tsjechische violist Jan Kubelik (1880-1940) en een Hongaarse gravin. Na te zijn afgestudeerd aan het Conservatorium van Praag dirigeerde hij op zijn 19de zijn eerste concert en op zijn 22ste het Tsjechisch Philharmonisch Orkest, waarvan hij in 1936 dirigent werd en in 1941 chef-dirigent. Voordien was hij nog van 1939 tot 1941 chef-dirigent van de opera in Brno.

In 1948, na de communistische machtsovername, vluchtte hij met zijn familie, twee koffers en de Stradivarius waarop zijn vader had gespeeld, naar het Westen. Na omzwervingen door Engeland en de Verenigde Staten liet hij zich in 1967 tot Zwitser naturaliseren.

Kubelik was in voornamelijk het klassiek-romantische repertoire de gevierde dirigent van de belangrijkste orkesten ter wereld, waaronder het Concertgebouworkest en de Wiener Philharmoniker. Maar hij was ook een fervent voorvechter van eigentijdse muziek, vooral die van Tsjechische componisten als Lucky, Kabelac, Slavicky, Haba, Janácek en Martinu.

In een interview met het Algemeen Handelsblad in 1949 zei hij: “Het is de plicht van iedere dirigent een zeker percentage hedendaagse muziek te dirigeren. Wie zou het anders doen? Het is merkwaardig een hele avond lang de kwarttonen-muziek van Haba te horen. Je voelt je fysiek geschokt, ik zou dan willen moorden of van het balkon afspringen. (-) Goed of slecht, deze muziek maakt absoluut indruk. Overigens: ik persoonlijk hoor ze niet, die kwarttonen. Ik ben al blij dat ik halve tonen hoor.”

Kubelik had enkele prestigieuze vaste verbintenissen, zoals bij het Londense operahuis Covent Garden (vanaf 1956) en het Chicago Symphony Orchestra. Van 1961 tot 1979 was hij chef-dirigent van het orkest van de Beierse Omroep. De Metropolitan Opera in New York leidde hij vanaf 1971 en werd daar in 1974 opgevolgd door zijn assistent James Levine. Daarnaast was hij de componist van een groot aantal werken, symfonieën, viool- en celloconcerten, liederen, drie requiems, de cantate Pro memoria patris en vijf opera's, waaronder Veronika (1947) en Cornelia Faroli (1966).

Rafael Kubelik was naast Eduard van Beinum van 1949 tot 1955 vast dirigent van het Concertgebouworkest, zijn portret hangt in de dirigentenfoyer van het Concertgebouw. Hij dirigeerde vele malen in Amsterdam, onder andere de Tweede symfonie van Pijper en de Achtste symfonie van Mahler (1963). In 1977 werkte hij voor het laatst in Amsterdam, hij trad ook op met het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Met het Concertgebouworkest maakte hij slechts één plaat: de Tweede symfonie van Beethoven, die een onderdeel was van een complete Beethovencyclus, waarvoor hij elke symfonie opnam met een ander orkest.

Kubeliks stoffelijk overschot zal waarschijnlijk worden bijgezet op het Praagse kerkhof, waar ook zijn vader ligt begraven.