Het dagelijks leven in een dictatuur

Terecht wijst H.W. von der Dunk er in deze krant van 27 juli op dat Goldhagen voorbijgaat aan het probleem van het 'weten' onder een dictatuur. Goldhagen doet, schrijft Von der Dunk, alsof er in het Derde Rijk een open nieuwsvoorziening bestond zoals in een moderne democratie.

Dit wijst erop dat Goldhagen geen flauw idee heeft van het dagelijks leven in het Derde Rijk in het bijzonder en in een dictatuur in het algemeen. De ophef die over 'Goldhagen' wordt gemaakt, komt nu juist voort uit dit ernstige verzuim.

De Nederlandse onderzoeker Ben Sijes moest bij de vervolging van oorlogsmisdadigers vaststellen dat de lagere functionarissen konden volhouden 'niet te hebben geweten' wat het einddoel was wanneer zij joden oppakten en doorstuurden. Dat ze het wel wisten, was vaak juridisch niet te bewijzen. Hier maken we kennis met de interpretatie van het begrip 'weten'. Het totale 'weten' kon in het dagelijks leven niet functioneren omdat er niet over gepraat werd. Het kon verdrongen en ontkend worden. Er ontstond in het Derde Rijk een scala van totaal weten aan de top tot een diffuus bewustzijn dat er iets ergs aan de hand was bij de gewone mensen, de ordinary Germans van Goldhagens ondertitel, die in de Nederlandse vertaling is weggelaten.

Het begin van deze verdringing lag in de eed van trouw aan de Führer en de hierin vervatte zwijgplicht. De macht van de eed werd mij onlangs bevestigd door Gerhard Schönberner, de directeur van de Gedenkstätte der Wannsee-Konferenz in Berlijn, het huis waar op 20 januari 1942 het besluit viel de joden fysiek te vernietigen. Hij had gesproken met volwassen mannen, die zich nog jaren na de ondergang van het Derde Rijk niet konden ontworstelen aan de plicht tot gehoorzaamheid 'bis in den Tod'. Zij konden niet spreken, en als iets niet besproken wordt of bespreekbaar is, rijpt het niet tot maatschappelijk aanvaarde waarheid. Hierin ligt de paradox van het weten besloten.

Zelf heb ik ervaren hoe groot de kloof was tussen de waarheid en het bewustzijn van de gewone Duitsers. In de zomer van 1945 woonde ik in Scheidegg, een dorp in Zuid-Duitsland dicht bij de Oostenrijkse grens. Het dorp was door de Fransen bezet, wat voor mij betekende: bevrijd. Op een dag kwam ik in het gemeentehuis en zag daar iets verbijsterends. Waar anders de verordeningen van de overheid hingen, en de namen van de vermisten, doden en teruggekeerden, hingen nu reusachtige affiches met foto's die de overwinnaars hadden gemaakt bij de bevrijding van de concentratiekampen. Compleet met tekst en uitleg. Het was als een klap op je achterhoofd. Wat hier hing was eenvoudig niet te vatten.

Het was zo verschrikkelijk dat het domweg 'niet waar kon zijn'. Dit was nu een glimp van de Endlösung waarover wij Hitler zo vaak hadden horen brullen. Je zag een kuil met een hoop naakte, dode skeletten; je zag skeletten in gestreepte pakken; de beelden waren zo erg, dat ik graag geloofd zou hebben dat het niet de waarheid was.

Maar ik dacht aan een gesprek dat ik een jaar tevoren met mijn dokter had gehad, de enige mens die ik ooit in het Derde Rijk heb ontmoet die durfde te spreken, en die mij, als buitenlands meisje, had gewaarschuwd op mijn woorden te passen. Dit was het nu, waarover hij had gesproken, en het was dus waar.

Deze reactie van mij werd echter niet gedeeld door de andere dorpsbewoners. Wisten zij? En, zo ja, hoeveel wisten zij? De gruwelijke foto's hebben daar weken lang gehangen, maar de mensen in het dorp konden er niets mee beginnen. Het bewustzijn van velen over wat waar was of niet waar, was al lang door de gruwelijke antisemitische propaganda sinds 1933 vertroebeld. Zij vluchtten in de houding van 'es ist nicht wahr' en 'wir haben es nicht gewusst'. Zij die het begrepen, hebben er het zwijgen toe gedaan. Anderen zullen hebben gedacht dat het trucfoto's waren. De dubbelzinnigheid van het weten beschermde hen tegen dat weten, waartegen ik als Nederlandse mij niet hoefde te beschermen. Dat dorp, in een uithoek van het land, zat vol vreemde gasten, vluchtelingen uit heel Duitsland, ontnapte Russische krijgsgevangenen, verdwaalde soldaten en een Nederlands meisje dat daar door ziekte verzeild was, zoals ik. De burgemeester had de laatste maanden, toen het duidelijk was dat de oorlog verloren was, een oogje dicht gedaan. En toch werd het doel, de nazi-misdaden bespreekbaar te maken, door deze foto's niet bereikt.

Zo rationeel als Goldhagen het zich voorstelt, zit het leven onder een dictatuur niet in elkaar. Wat Goldhagen ontgaat, is de paradox of de gelaagdheid van het weten.

    • Truusje Roegholt