FULLTIME AMATEUR MET VEEL GEDULD

De 21-jarige Maarten Lafeber is al twee jaar lang de beste amateurgolfer van Nederland. Toch wacht hij nog anderhalf jaar voordat hij prof wordt. 'Er moet nog twaalf kilo spieren bij.'

Maarten Lafeber is een fulltime amateur. Boksen en golf zijn waarschijnlijk de laatste twee sporten waar de scheiding tussen amateurs en profs nog kunstmatig in stand wordt gehouden. Nederlandse topamateurs mogen maximaal 750 gulden verdienen per jaar, uit te keren in VVV-bonnen. “De tennisser John van Lottum is een goede vriend van me”, vertelt Lafeber. “Hij moet altijd hard lachen om onze prijzen. Als hij een toernooi goed speelt, verdient hij een paar duizend gulden.”

Lafeber kan niet eens zijn onkosten bij elkaar slaan, maar hij leeft als een profsporter. Alleen in de winter werkt hij aan zijn Havo-eindexamen. “Ik weet niet of ik het afmaak. Ik ben niet zo'n studie-Kees. Deze winter moet ik me strategisch voorbereiden op het volgende seizoen.”

Omdat hij lid is van de Nederlands ploeg, betaalt de golffederatie al zijn onkosten bij deelname aan buitenlandse toernooien. De NGF zorgt ook voor trainingen bij de bondscoach, de Ier Tom O'Mahoney in Noordwijk. Daarnaast krijgt Lafeber een bijdrage van NOC*NSF en zakgeld van zijn vader. “Ik heb een aardige vader. Hij twijfelde lang of ik m'n school niet moest afmaken. Maar hij was vroeger zelf een fanatiek sporter en hij heeft vertrouwen in me. Hij zei: 'Het is jouw doel, jouw droom. Zolang je er alles voor over hebt en er hard aan werkt, steun ik je.' Hij weet dat je, als je de top wilt bereiken, daarvoor ook de middelen moet hebben.”

Met zijn derde plaats op het NK strokeplay op de baan van De Hoge Kleij in Leusden, het laatste evenement in een serie van zeven wedstrijden, verzekerde Maarten Lafeber zich gisteren van de overwinning in het eindklassement. Hij is, net als vorig jaar, de 'golfer van het jaar' en aanvoerder van het Nederlands team dat in november het WK speelt in de Filippijnen.

De derde plaats met een score van min twee na 72 holes, was geen groots resultaat, maar meer dan voldoende. Lafeber was moe na zijn spectaculaire optreden op het Dutch Open in Hilversum, twee weken geleden, en een zwaar toernooi in Zwitserland, vorige week. Door zijn eerste ronde van 74 afgelopen vrijdag was hij in het weekeinde geen bedreiging meer voor winnaar Robert-Jan Derksen. Hij vervolgde met rondes van 70, 71 en 71, waarbij twee bogeys op de laatste twee holes.

Derksen wordt in het najaar professional, Lafeber blijft nog een jaar amateur. Hij heeft geen haast. Golfen kan je volhouden tot je veertigste, of nog langer. Lafeber vindt zichzelf nog te onervaren en vooral te licht. Hij is 1.92 meter lang en weegt 68 kilo. “De komende winter ga ik veel aan krachttraining doen. Er moet nog twaalf kilo bijkomen. Ik moet voldoende weerstand opbouwen om een seizoen van elf maanden vol te kunnen houden.”

Lafeber is de beste van een groepje Nederlandse talenten van 20 tot 24 jaar dat de komende jaren zal proberen door te dringen tot het profcircuit. Rolf Muntz heeft het voorbeeld gegeven door zich als eerste Nederlander een vaste plek te verwerven in de top-100. Zijn succes geeft de nieuwe generatie vertrouwen. Derksen, gisteren winnaar met een score van min elf, is de eerste die de stap waagt. Hij speelt dit najaar de kwalificatietoernooien. Lafeber en Niels Kraay wachten nog een jaar langer, Maarten van den Berg wil eerst zijn studie afmaken.

“Technisch is mijn spel goed genoeg om bij de professionals mee te kunnen draaien”, meent Lafeber. Hij zegt het met overtuiging, zonder arrogant te klinken. Hij vindt zichzelf beter dan het gros van de Nederlandse 'profspelers' van de vorige generatie. Muntz en Joost Steenkamer hebben proftoernooien gewonnen, maar de overige pro's hebben nooit veel laten zien. “Er rijden er een aantal rond in gesponsorde auto's, waar ik ver boven uitstijg. Als we een rondje lopen van achttien holes, mogen ze op de veertiende hole al naar huis toe.”

Vorig jaar mocht Lafeber voor het eerst aan het grote werk ruiken. Het mooiste van de wild-card voor het Dutch Open, het enige grote Nederlandse proftoernooi, was toen zijn oefenronde met de Amerikanen John Daly en Scott Hoch. Daly, de speler met de verste drive ter wereld, was verbaasd over de afstand die de tengere Lafeber met zijn driver overbrugde. Hoe lukt jou dat met die dunne armen en dat dunne lijf, wilde Daly weten. “Een kwestie van timing”, zei Lafeber.

Op het Dutch Open van dit jaar verbaasde Lafeber op de zaterdag met een prachtige ronde van 65, zes slagen onder het baangemiddelde. Gevoegd bij twee rondes van 69 op donderdag en vrijdag stond hij na drie dagen plotseling op het leaderboard. Dat een dag later een deceptie volgde met 77 deed weinig af aan de feestvreugde. “Het is mijn mooiste toernooi ooit. En zo'n ronde van 77 gebeurt me volgend jaar niet nog een keer. Ik was zaterdag om twee uur klaar met mijn ronde, maar ging pas om zeven uur weg uit het clubhuis. Iedereen wilde met me praten. Ik was kapot toen ik thuiskwam. De volgende dag kon ik me niet meer concentreren.”

Maar de belangstelling van sponsors was gewekt. “Ik heb me in de kijker gespeeld. Die zaterdag heb ik al met mensen van bedrijven gepraat. Maar als ze me nu zouden willen sponsoren, willen ze ook wel een jaar wachten. Ik heb ongeveer een ton nodig. Muntz heeft, geloof ik, anderhalve ton. Daar kan hij zijn onkosten ruim van betalen.”

De zaterdag van 65 speelde hij met een Franse pro die zich goed kan handhaven in de tour. “Mijn ballen waren twee keer zo goed geslagen. Wat hij deed zag er lelijk uit. Ik sloeg makkelijker en verder. Maar hij heeft de vastheid. De pro's spelen vrijwel allemaal percentage-golf. Bal op de baan, bal op de green en het putje holen. Daly en Greg Norman spelen spectaculair, maar Nick Faldo en Colin Montgomerie spelen de percentages.”

Lafeber weet dat hij nu nog over een heel seizoen tekort komt ten opzichte van zo'n gemiddelde Franse professional. “Mijn basistechniek is goed, maar golf is vooral mentaal een zware belasting. Er is geen sport waarin zoveel gebeurt. In een ronde maak je werkelijk alles mee: van hele goede slagen tot hele slechte slagen. Toch moet je rustig blijven. Vroeger smeet ik met clubs en tennisrackets. Toen ik 18 jaar was liet ik me door het minste of geringste opnaaien. Nu weet ik mijn geduld te bewaren. Dat was ook de belangrijkste les van de bondscoach. Ik klaagde dat die ronde van 68 maar niet wilde komen. Wacht maar af, zei Tom, de putts vallen vanzelf. En de ronde kwam, bij de Dutch Open.”

    • Remmelt Otten